Waar is het ‘overstelpend bewijs’ dat hiv aids veroorzaakt?
Over broddelwetenschap en oplichterij
auteur: Ton Geurtsen
november 2009
bron: ton-tegendraads.blogspot.com
 |
’Het hiv-paradigma heeft niets van waarde voortgebracht voor mijn leven en in feite geloof ik dat behandelingen gebaseerd op het arrogante geloof dat bewezen is dat hiv de enige en voldoende oorzaak van aids is, de dood van vele van mijn vrienden bespoedigd hebben. (…)
Soms heb ik het gevoel dat mijn doel is lang genoeg in leven te blijven om getuige te zijn van de aids-variant op de processen van Neurenberg, waar de wetenschappers die zoveel geld en zoveel levens hebben verspild terwijl zij volhardden in de doodlopende weg van het onderzoek naar de behandeling van aids, verantwoordelijk zullen worden gesteld.’
Michael Callen
Aidsactivist, in 1993 gestorven, elf jaar na zijn aidsdiagnose |
| |
|
| |
‘Als er bewijs bestaat dat hiv aids veroorzaakt, dan zouden er wetenschappelijke documenten moeten zijn die afzonderlijk of te samen dit feit bewijzen, op zijn minst met een hoge waarschijnlijkheid. Zo’n document is er niet. (…) De hiv-theorie, de wijze waarop deze wordt gebruikt, is niet falsifieerbaar en daarom nutteloos als medische hypothese.’
Kary Mullis
Biochemicus en Nobelprijswinnaar scheikunde 1993 |
Geen aidsdissident zal beweren dat men in de medisch-wetenschappelijke wereld niet bereid zou zijn eenmaal ingenomen standpunten te herzien. Met een zekere regelmaat worden verklaringen aangepast als de feiten daar aanleiding toe geven. Dit gebeurt echter binnen een heilig verklaard kader, namelijk dat hiv een noodzakelijke èn voldoende voorwaarde is om aids te veroorzaken. Deze basisstelling, die in 1984 werd geformuleerd, staat na 25 jaar nog recht overeind en dient gerespecteerd te worden als ware kritiek de ontheiliging van een godsbeeld.
Echter, het is al lang tot het establishment doorgedrongen dat de ketters zich blijven roeren. Omdat doodzwijgen niet goed blijkt te helpen, wordt gereageerd met stigmatisering en agressie, waar ook op dit weblog de voorbeelden van zijn te vinden. Dissidenten zouden in een – nu niet bestaande – discussie zeer sterke wapens in handen hebben. Die richten zich niet op onderdelen, maar op het hiv-aids fundament zelf. Als meer mensen beseffen wat hiermee aan de hand is, is het einde van de huidige aidspolitiek nabij. Laat dit daartoe weer eens een bescheiden bijdrage zijn.
Correlatie of causaal verband
Iedereen kan het met boerenverstand beredeneren en elke eerstejaarsstudent krijgt het mee als essentiële regel bij wetenschapsbeoefening: als twee verschijnselen samengaan, betekent dat niet vanzelf dat het een het ander ook veroorzaakt. In ons dagelijks leven weten we dat elk verschijnsel met een oneindig aantal andere samengaat. Dat zijn correlaties. En we weten ook dat maar één of enkele van die andere verschijnselen dat ene verschijnsel verklaart. Dat is het causale of oorzakelijke verband. De wetenschap is er om gecompliceerde correlaties te ontrafelen en daarbinnen de werkelijke oorzaak of oorzaken te vinden. Daar kan ze alleen in slagen als ze strikte methodologische regels in acht neemt.
Datgene wat voor hiv wordt aangezien gaat veelvuldig samen met aids, zodat er sprake is van een correlatie. Dan zijn er verschillende mogelijkheden. Het kan zijn dat hiv dan ook aids veroorzaakt (1). Het kan zijn dat er meerdere factoren in het spel zijn en hiv daarbij een rol speelt naast andere (2). Het kan ook nog eens zijn dat het puur toeval is: hiv is er steeds maar heeft op het ontstaan van aids geen invloed (3). Zo zijn er al drie verklaringen te geven voor de gevonden correlatie.
De officiële aidstheorie gaat uit van mogelijkheid (1) en verwerpt de overige twee.
 De ene daarvan (2) wordt aangehangen door wetenschappers als Robert Root-Bernstein (foto links) en Gordon Stewart (foto rechts) alsmede door sommige natuurgeneeskundigen.
De andere (3) is het standpunt van aidsdissidenten, wanneer we althans het bestaan van hiv niet ter discussie stellen.
Bij (1) wordt aangenomen dat een correlatie vanzelf ook een causaal verband betekent: hiv veroorzaakt aids omdat ze steeds samen worden aangetroffen. Bij (2) daarentegen wordt dit oorzakelijk verband gedeeltelijk en bij (3) geheel wegverklaard omdat andere factoren gedeeltelijk of geheel volstaan om aids te verklaren.
In onderstaand citaat, ontleend aan het Amerikaanse Center For Aids Prevention [1], wordt duidelijk hoe de hiv-aids theorie mank gaat aan het door elkaar halen van correlatie en causaal verband:
‘There is evidence supporting the correlation between HIV and AIDS. (...) Although there may not be hard evidence that proves causation, HIV infection has been repeatedly linked to AIDS and (...) since the early 1980s, HIV and AIDS have been repeatedly linked in time, place and population group.’
Het deel van het citaat vanaf ‘Hiv infection has been.....’ geeft precies aan waar men zich in de aidswereld voor bewijsvoering op beroept, namelijk op een correlatie. Maar in het gedeelte ervoor is men veel eerlijker dan gebruikelijk: ‘Although there may not be hard evidence that proves causation’. Hier wordt erkend dat er geen causaal verband is aangetoond.
Om een oorzakelijk verband te bewijzen kan men niet direct de link tussen hiv en aids onderzoeken, omdat dat laatste begrip een abstractie is die ononderzoekbaar is. Het enige wat men kan doen en ook veelvuldig doet, is laboratoriumwaarden als het aantal CD4-afweercellen en de viral load meten. De gevonden waarden zouden dan de kracht of zwakte van het immuunsysteem aangeven en dus aanwijzingen leveren voor aids of de kans daarop. En ook ‘het’ immuunsysteem is een abstractie.
In de wetenschap moeten complexe, niet-concrete begrippen geoperationaliseerd worden in onderzoekbare verschijnselen. En dat zijn in het geval van aids concrete ziekten als een PCP-longontsteking, baarmoederhalskanker of dementie. Dat stelt de aidswetenschappers voor een immense opgave waar ze nooit aan hebben willen beginnen. Het betekent namelijk dat zij daadwerkelijk moeten aantonen dat het hiv-virus verantwoordelijk is voor 29 afzonderlijke aandoeningen die officieel onderscheiden worden. Sterker nog, men beweert dat er ook ‘hiv-gerelateerde aandoeningen’ zijn, die geen aids betekenen maar als een voorstadium daarvan worden gezien. Tot deze categorie behoren vele aandoeningen waarvoor het oorzakelijk verband met hiv eveneens zou moeten worden aangetoond.
Er zijn dus tientallen gedegen onderzoeken nodig om de hypothese te bewijzen. Dat moet, wanneer we de hoogste wetenschappelijke norm aanhouden, gebeuren via onderzoek met controlegroepen. Deze maken het mogelijk het veronderstelde ‘zuivere’ effect van hiv te meten door te controleren voor een groot aantal factoren waarvan de immuniteitsondermijnende werking in de medische wereld bekend is. Meerdere daarvan zouden dan een oorzakelijk verband tussen hiv en aids kunnen wegverklaren. Te denken valt aan ondervoeding, structureel slaaptekort, excessief antibioticagebruik, aanwezigheid van ziekmakende virussen, bacteriën, parasieten, gisten of schimmels, het binnenkrijgen van overmatige hoeveelheden sperma, een opeenstapeling van geslachtsziektes, overmatige stress, het intensief gebruik van recreatieve drugs, ‘toevallig’ verkregen ziektes die het immuunsysteem ondermijnen, bloedtransfusies en de gebruikte medicatie, in het bijzonder die tegen hiv.
Wie vindt dat dit een bijna bovenmenselijke opgave is, heeft gelijk. Maar dat probleem hebben de wetenschappers en beleidsmakers aan zichzelf te danken. Wie het bewijs voor hiv als een zo veelzijdige vermeende ziekteveroorzaker niet kan leveren, moet die theorie ook niet tot grondslag van het beleid maken. Dat is eenvoudigweg een kwestie van wetenschappelijke integriteit.
Hiv is willekeurige en onwaarschijnlijke kandidaat
De vastgestelde correlatie is niet alleen aanwezig, ze is ook nog eens heel groot - in het gegeven citaat gaat het bijvoorbeeld om ‘repeatedly linked in time, place and population group’. Ook dat zegt echter niets. Van de eerste generatie aidsslachtoffers en ook van mensen van wie werd aangenomen dat ze risico op aids liepen, is meermalen vastgesteld dat zij waren blootgesteld aan een groot aantal immuunsuppressieve factoren, waarvan hierboven de belangrijkste zijn genoemd. Bij deze factoren was dus net zozeer sprake van correlaties met aids als dat bij hiv het geval is en in een aantal gevallen, zoals bij drugsgebruik, was die correlatie zeer hoog. Men kan dus met evenveel recht als bij de relatie hiv-aids de hypothese lanceren dat een oorzakelijk verband waarschijnlijk is tussen drugsgebruik en aids. [2]
Veel van de genoemde immuniteitsschadende factoren zijn voor iedereen begrijpelijk en zichtbaar, maar ze verdwenen al snel uit beeld. De aandacht ging uit naar de voor het overgrote deel van de mensen ondoorgrondelijke wereld van miniziekteverwekkers die niemand met het blote oog kan zien. Inderdaad leden mensen met aids ook in hoge mate onder door bacteriën veroorzaakte aandoeningen als syfilis, gonorroe en chlamydia of aan parasitaire ziektes als toxoplasmose en de beruchte PCP-longontsteking [3]. Ook hier was dus, net als bij hiv, sprake van hoge correlaties. Om deze reden werd syfilis wel beschouwd als de veroorzaker van aids [4], hetgeen even plausibel of onplausibel is als het aanwijzen van hiv als oorzaak.
Vervolgens werden echter niet bacteriën, parasieten, gisten of schimmels preciezer onderzocht, maar werd door de sterke dominantie van de virologen in de wetenschappelijke wereld alleen naar een virale oorzaak gespeurd. Mensen met aids droegen ook andere virussen dan ‘hiv’ bij zich, zoals het tot de herpesvirussen gerekende cytomegalovirus (CMV). Onder homoseksuele mannen en de kleine risicogroep van hemofiliepatiënten benaderde het aantal mensen met antistoffen tegen CMV de 100 procent. [5]. Deze uitzonderlijk hoge correlatie leidde oorspronkelijk tot een theorie die het cytomegalovirus aanwees als oorzaak van aids. Deze en andere virussen werden echter terzijde geschoven, om uiteindelijk alleen de nieuwe ontdekking ‘hiv’ over te houden.
Via deze stappen werd het buitengewoon complexe geheel van mogelijke oorzaken van aids eerst verengd van leefstijlfactoren in het algemeen tot miniziekteverwekkers, vervolgens tot alleen virussen en uiteindelijk alleen tot hiv. Simplisme is hier wel het meest passende woord.
Hiv is echter niet alleen een willekeurige kandidaat om aids te veroorzaken, het is ook een erg onwaarschijnlijke kandidaat. Het behoort namelijk tot de enkele virussen waarvan zowel het bestaan als de ziekmakende eigenschappen worden betwijfeld, hetgeen niet geldt voor een aantal hiervoor genoemde alternatieve ziekteverwekkers. Het ligt niet voor de hand om aids nu juist te koppelen aan een virus waarover zulke elementaire vragen blijven bestaan.
Hiv wordt tot de retrovirussen gerekend, waarvan nooit ziekte-effecten zijn aangetoond. Maar één daarvan zou ineens tot levensbedreigende ziektes leiden: het is alsof je een tafel bij de categorie stoelen onderbrengt. De veronderstelde schade door hiv uit zich bovendien niet, zoals bij virale ziektes gebruikelijk, in één bepaalde aandoening maar in vele van zeer uiteenlopende aard, doorgaans overgedragen via seksueel contact. Sinds begin jaren tachtig werden het er steeds meer, totdat in 1993 het aantal van 29 werd bereikt. Deze ziekteprocessen treden, compleet tegenovergesteld aan wat gebruikelijk was en is, op nadat iemands lichaam antistoffen heeft aangemaakt die op hiv zouden wijzen. Antistoffen echter, zo leert de biochemie, zijn een teken van bescherming omdat de ziekteverwekker onder controle van het immuunsysteem is gebracht. Maar hier worden ze gezien als het beginstadium van dodelijke ziektes. Hoe dat dan wel gebeurt, is nog altijd onopgehelderd en dus puur speculatief.
Een heel merkwaardige aanname in het hiv-aids denken is wel de lange incubatietijd. Verondersteld wordt dat er vijf, tien, vijftien jaar of langer mee gemoeid zijn voordat de mogelijk dodelijke ziektes zich manifesteren. In werkelijkheid veroorzaken virussen meestal geen schade en doen ze dat wel, dan op korte termijn. Soms kan een virus onder invloed van een verzwakt immuunsysteem tijdelijk weer gereactiveerd worden. Maar alleen bij hiv wordt gesteld dat het begin van de ziekteverschijnselen vele jaren later optreedt. Dit verschijnsel doet zich voor bij toxische belasting, zoals bij ziektes als gevolg van tabak-, alcohol-, drugs- of medicijngebruik, maar nu juist niet bij virussen. Deze hebben een korte incubatietijd. Als hiv werkelijk gevaarlijk zou zijn, zouden mensen na de veronderstelde besmetting op korte termijn al ernstig ziek moeten worden. Dat blijft echter geheel uit.
Verzinsels aanvaard als wetenschap
We gaan terug naar 23 april 1984. Op een persconferentie maakte de Amerikaanse wetenschapper Robert Gallo bekend dat de ‘waarschijnlijke oorzaak van aids’ was gevonden. Deze formulering was duidelijk een poging zich bij voorbaat tegen een mogelijk debacle in te dekken. Wanneer immers ooit zou blijken dat de ingenomen stelling onjuist was, dan zou hem dat maar in beperkte zin verweten kunnen worden. Hij had immers het woord ‘waarschijnlijk’ gebruikt!
Wat op de persconferentie vervolgens werd beweerd, ging echter niet uit van een waarschijnlijkheid maar van een vaststaand bewijs. Immers, er werd gesproken over zaken als de beschikbaarheid van een bloedtest en de komst van een vaccin binnen twee jaar. (Zoals bekend is dat er na 25 jaar nog altijd niet.). Het effect daarvan is dat het woord ‘waarschijnlijk’ haar betekenis verliest omdat het begin van beleid al wordt uitgezet. Media namen dan ook direct de zekerheid van het causale verband over.
Echter, niemand was op dat moment in staat te controleren waar Gallo zich op baseerde. Er was geen onderzoek gepubliceerd, want dat werd achtergehouden tot één week na de persconferentie – om precies te zijn tot 4 mei, toen het verscheen in het tijdschrift Science [6]. Vrijwel niemand las dat natuurlijk, met uitzondering van ingewijden-wetenschappers.
Zelden zal een wetenschapper, in samenspraak met beleidsmakers, zó ongegeneerd en met zùlke grote consequenties de publieke opinie doelbewust hebben gemanipuleerd. Want de beweringen van Gallo stonden haaks op de uitkomsten van zijn eigen onderzoek. De lezer oordele zelf:

Bovenstaande tabel laat zien dat van de 234 onderzochte personen er 97 (pre-)aids hadden. En onder deze 97 personen werd bij minder dan de helft, namelijk 47, hiv aangetroffen. Dit betekent dat de meerderheid van hen aids door andere factoren had opgelopen en er dus aids zonder hiv bestaat.
Alleen al op grond van dit onderzoek zijn van de drie hiervoor genoemde standpunten over de relatie hiv-aids - zie nog eens (1) – (2) – (3) - alleen de tweede en de derde verdedigbaar. Door co-factoren (2) aan te wijzen kan men concluderen dat aids mede door hiv kan optreden, maar ook zonder dit kan ontstaan als gevolg van andere vormen van immuniteitsschade. Door alléén naar die andere factoren te verwijzen (3) wordt hiv geheel uit de redenering gehaald en blijven er genoeg immuniteitsschadende factoren over voor een plausibele verklaring. Maar de officiële visie (1) is op basis van dit onderzoek onverdedigbaar. Want als mensen aids krijgen zonder hiv te hebben, zijn er dus andere oorzaken van aids aan te wijzen.
Zo eenvoudig is het. In een publicatie [7], ondertekend door onder anderen een groep vooraanstaande wetenschappers, werd in 2009 gevraagd om officiële intrekking van de geldigheid van het onderzoek van Gallo voor de hiv-aids bewijsvoering. Tot op heden heeft geen enkele officiële instantie de behoefte gevoeld zich van diens gerotzooi met onderzoeksgegevens te distantiëren. Daarmee erkennen zij wetenschappelijke fraude te aanvaarden.
Aanwezigheid hiv meestal onbekend
Normaal gesproken had al in 1984 het doek moeten vallen over de hiv-aids theorie. Dat gebeurde niet, ook niet toen later talloze bewijzen konden worden overlegd dat aids onmogelijk door alleen hiv veroorzaakt kon worden.
Het is goed om eerst te benadrukken dat van zeer velen met aids nooit bekend is geworden of ze hiv hadden of niet. De test waarmee men pretendeert het virus te detecteren kwam pas in 1985 beschikbaar en daar waren al jaren aan voorafgegaan waarin slachtoffers vielen. Een groot aantal mensen kon derhalve nooit meer getest worden omdat ze al overleden waren of langer leefden maar geen test meer ondergingen.
Harold Jaffe, directeur van de hiv-aids sectie van het Amerikaanse Centre for Disease Control and Prevention (CDC), gaf in 1993 toe dat op dat moment van het totaal aantal van 253.448 mensen met aids in de Verenigde Staten er 43.606 niet getest waren. Aanvullende berekeningen [8] kwamen zelfs uit op een getal van 62.272. Van ongeveer 17 tot 25 procent van het totaal aantal aidsgevallen is dan ook nooit bekend geworden of er sprake was van ‘hiv’. Ook degenen die onder deze categorie vielen, leden officieel aan aids. En dat is volgens de orthodoxe definitie een onmogelijkheid zolang de aanwezigheid van hiv niet vaststaat.
Gaat het hier om een aanzienlijke minderheid waarvan de serostatus onbekend is, in de Derde Wereld is dit verschijnsel vanaf het begin structureel geweest. Dat geldt met name voor het gebied Afrika beneden de Sahara waar verreweg de meeste slachtoffers vallen.
Gestelde aidsdiagnoses komen er op twee manieren tot stand. De ene is via het afnemen van een test die bij een positieve uitslag hiv zou aantonen en daarmee een verwachte ontwikkeling naar aids aangeeft. Dat gebeurt echter maar bij een minderheid. Voor alle overigen geldt nog altijd de zogeheten definitie van Bangui uit 1985. Daarin werden criteria geformuleerd op basis waarvan aids wordt vastgesteld, zonder dat een hiv-test vereist is. Daarmee schendt men op grote schaal het eigen dogma dat aids alleen mogelijk is wanneer een ‘hiv-infectie’ vaststaat.
In plaats daarvan wordt gekeken naar ziektesymptomen, waarvan de drie belangrijkste gewichtsverlies, chronische diarree en chronische koorts zijn. Wanneer iemand twee van deze symptomen heeft in combinatie met een bijkomend symptoom, bijvoorbeeld aanhoudend hoesten, volgt een aidsdiagnose. Aids kent echter geen eigen symptomen, een vaststelling die nota bene ook gedaan is door 'hiv-ontdekker' Luc Montagnier. De genoemde ziekteverschijnselen doen zich immers ook op grote schaal voor als gevolg van ondervoeding, vervuild water en ziektes als tuberculose, malaria en verscheidene bacteriële en parasitaire infectieziekten. [9]
De symptomen van wat aids wordt genoemd, zijn dus niet-specifiek. Wanneer er ook niet getest wordt, is de bewering dat de zieken en stervenden aan aids lijden dan ook niets anders dan een verzinsel.
Dat betekent ook dat zeer velen in de Derde Wereld aids kunnen hebben zonder dat er van hiv sprake is. Dit nu is inderdaad het geval, zoals uit onderzoek naar voren komt. Een niet nader te bepalen deel blijkt seronegatief te zijn [10].
Een tijdelijk nieuw syndroom: ICL
Peter Duesberg, de bekendste aidsdissidente wetenschapper, deed in zijn boek Inventing the Aids Virus (1996) verslag van een literatuurscreening, op zoek naar hiv-negatief aids. Precieze cijfers over het aantal gevallen zijn er niet, want deze categorie heet niet te bestaan en is dan ook nooit afzonderlijk geregistreerd.
Het resultaat van zijn onderzoek was dat van 4.621 personen kon worden vastgesteld dat ze aids hadden èn seronegatief waren. In de literatuur konden meer voorbeelden worden gevonden die niet in het onderzoek waren meegenomen. [11]
Deze personen waren afkomstig uit dezelfde risicogroepen als seropositieven die aan aids stierven: homoseksuelen, intraveneus drugsgebruikers (en kinderen van hen), hemofiliepatiënten en Afrikanen.
Tot het establishment leek intussen te zijn doorgedrongen dat het bestaan van aids zonder hiv de officiële theorie onderuit haalde. In 1992 werden seronegatieven met aids geschaard onder een nieuwe categorie: idiopathische CD4 lymfocytopenie (ICL). Men slaagde er echter niet in de suggestie hard te maken dat hier sprake zou zijn van een ander ziektebeeld.
Anthony Fauci, directeur van het National Institute of Allergy and Infectious Diseases (NIAID) en gezien als architect van de term, schreef dat het aantal en de veelsoortigheid van de ziektes die onder ICL vielen het onwaarschijnlijk maakten dat deze door één en hetzelfde virus veroorzaakt werden en dat ICL, anders dan aids, daarom hoogstwaarschijnlijk niet besmettelijk was. En dat waren nu precies argumenten op basis waarvan aidsdissidenten het zo onwaarschijnlijk achtten dat aids door een virus werd veroorzaakt!
Een ander argument dat Fauci hanteerde was dat mensen met ICL niet alleen een laag aantal CD4-cellen hadden – het belangrijkste criterium voor de kracht of zwakte van het immuunsysteem – maar ook een laag aantal CD8-cellen en B-cellen, beide eveneens afweercellen. Elders had hij echter hetzelfde gezegd over aids, waarmee de vermeende verschillen wegvielen. [12]
Een lang leven was ICL dan ook niet beschoren. Degenen met aids zonder het veronderstelde virus werden geschaard onder een van de concrete ziektes die zij hadden opgelopen, zodat de statistieken vele verborgen gevallen van ‘aids’ kennen. Een niet nader te bepalen percentage van degenen die lijden aan bijvoorbeeld een PCP-longontsteking, baarmoederhalskanker of dementie zou dan ook onder deze categorie moeten vallen. Dat is niet gebeurd omdat een dergelijke herrubricering de hiv-theorie over aids zou hebben gefalsifieerd.
Intermezzo 1: Kaposi Sarcoma
Toen de eerste berichten over aids opdoken, ging alle aandacht uit naar twee levensbedreigende aandoeningen die zich in homoseksuele kringen manifesteerden. Naast de PCP-longontsteking was dat Kaposi Sarcoma. De grote meerderheid van de eerste generatie slachtoffers kreeg een aidsdiagnose op basis van een van deze twee aandoeningen.
Kaposi Sarcoma tekende aidsslachtoffers letterlijk door de op vele plaatsen op het lichaam voorkomende roodpaarse vlekken. Daarachter ging een vorm van kanker schuil, die de kleine bloedvaatjes onder de huid aantastte maar ook naar binnen kon slaan en andere organen kon aantasten, zoals de longen, de lymfeklieren, de lever of de darmen.
Anders dan de PCP-longontsteking, wordt Kaposi Sarcoma volgens de heersende leer echter niet langer door hiv veroorzaakt. Sinds de publicatie van enkele wetenschappelijke artikelen in 1994 werd dit het officiële standpunt. Er werd nog steeds van uit gegaan – we zijn niet verrast – dat de oorzaak een virus was. Maar dat virus was niet hiv, maar het tot de herpesvirussen gerekende HHV-8.
Wie zou menen dat dit grote opschudding veroorzaakte, komt bedrogen uit. Met het naar voren schuiven van HHV-8 werd immers gebroken met het adagium dat één van de twee gezichtsbepalende aidsaandoeningen door hiv werd veroorzaakt. Normaal gesproken zou dat er toe hebben moeten leiden dat Kaposi Sarcoma geschrapt werd van de aidslijst, maar dat gebeurde niet. Anno 2009 is deze ziekte nog altijd reden voor een aidsdiagnose.
Hieruit vallen twee conclusies te trekken.
Ten eerste heeft een groot aantal mensen ten onrechte een aidsdiagnose gekregen op basis van Kaposi Sarcoma. Nu HHV-8 de oorzaak heette te zijn, waren deze diagnoses volgens het hiv-aids dogma dus onterecht. Omdat anti-hiv medicatie alleen wordt toegepast tegen ‘hiv’, betekent dat tevens dat zij mogelijk voor niets aan deze loodzware medicijnen zijn blootgesteld. Ten tweede werd hiermee opnieuw bewijs geleverd dat aids, hier in de vorm van Kaposi Sarcoma, ook of uitsluitend andere oorzaken blijkt te hebben dan hiv. Het laten staan van deze ziekte op de ‘hiv-aids’ lijst laat opnieuw zien hoe leugenachtigheid binnen het aidsestablishment een aanvaard verschijnsel is.
Intermezzo 2: PCP-longontsteking
Het is voorstelbaar dat men ooit dacht bij aids te maken te hebben met nieuwe ziektes. De eerste homoseksuele slachtoffers waren behept met een veelvoud van ziekten, waar weinigen van hadden gehoord. Dat gold wel in het bijzonder voor de twee die hierboven als gezichtsbepalend voor aids werden aangeduid, Kaposi Sarcoma en de PCP-longontsteking. Beide bestonden echter al. [13] Dat aidsaandoeningen veel ouder waren dan het aidstijdperk, valt al helemaal niet te betwijfelen ten aanzien van ziektes die veel minder zeldzaam waren en die deels pas later aan de aidslijst werden toegevoegd. Een voorbeeld daarvan is baarmoederhalskanker, dat sinds 1993 bij een positieve test automatisch een aidsdiagnose betekent.
Van officiële zijde wordt er van uit gegaan dat hiv in 1978 ontstond om vervolgens aids te doen ontstaan, waarvan de eerste vijf officiële diagnoses in 1981 werden gesteld. Omdat alle aidsaandoeningen veel ouder zijn, is de consequentie dat zij los staan van serostatus. Anders zouden we de bizarre conclusie moeten trekken dat vóór die tijd nog nooit iemand een PCP-longontsteking, baarmoederhalskanker of dementie had gehad. Het betekent uiteraard tevens dat zij ook nu vóórkomen bij seronegatieven wier immuunsysteem niet naar behoren functioneert. Opnieuw: er bestaat dus aids zonder hiv.
Zeker voor de meer zeldzame aandoeningen geldt dat menigeen zich niet kan voorstellen dat ze door iets anders dan hiv veroorzaakt worden. De PCP-longontsteking is daarvan een goed voorbeeld, dat hier wat verder wordt uitgewerkt. De aandoening wordt geassocieerd met het virus, maar in werkelijkheid is de meerderheid van degenen die deze ziekte hebben seronegatief:
• Onderzoek naar achttien patiënten met PCP in het Prince of Wales Hospital in Hong Kong over de periode 1994-2003 [14] liet zien dat zes van hen seropositief waren en twaalf seronegatief. Tweederde van hen kreeg dus PCP zonder hiv. En de onderzoekers concludeerden: ‘The results suggested that (...) PCP can occur during the course of many immunosuppressive diseases and therapies.’
• Roemeense wetenschappers constateerden na een onderzoek onder zeventien kinderen [15] die in 2004-2005 in het ziekenhuis waren opgenomen en PCP hadden, dat slechts één van hen seropositief was. Ook hier worden andere ziektecondities als oorzaak van de longontsteking aangewezen.
• Onderzoek naar 108 patiënten die tussen januari 1991 en december 2001 werden gehospitaliseerd in het universitaire ziekenhuis Sahlgrenska in het Zweedse Gothenburg [16], leverde hetzelfde beeld op. Zij hadden in totaal 118 episodes van PCP, waarvan er 89 optraden bij patiënten die seronegatief waren. Slechts 25 procent kwam dus voor bij seropositieven.
• Een studie verricht in het Rigshospitalet Universiteitsziekenhuis in Kopenhagen [17] beschreef 50 gevallen van PCP onder mensen die er verbleven in de periode 2002-2004. Zij waren allen seronegatief.
Bovenstaande onderzoeken geven ook aan wat de oorzaken van een PCP-longontsteking kunnen zijn bij afwezigheid van ‘hiv’. Alle worden geassocieerd met ‘immunodeficiency’, wat letterlijk een synoniem van aids is. Wanneer we ons beperken tot de risicofactoren bij volwassenen gaat het met name om nierziekten, orgaantransplantaties, het cytomegalovirus, de ziekte van Hodgkin, leverkanker en leukemie alsmede ontstekingsziekten als reumatoïde artritis, bepaalde darm- en longaandoeningen, psoriasis en atherosclerose (‘aderverkalking’). Daarnaast wordt de kans op PCP verhoogd door het gebruik van steroïden (ontstekingsremmers) en door chemotherapie.
Wanneer iemand seropositief is, wordt de PCP geweten aan het hiv-virus. Pas zodra iemand negatief is, komen andere oorzaken in beeld. Het grote falen bestaat erin dat in het eerste geval een medische diagnose uitblijft en een of meer van de genoemde risicofactoren aan het zicht worden onttrokken.
Wat hier voor PCP geldt, geldt voor elke aidsaandoening: seropositieven worden niet gediagnosticeerd maar gekarakteriseerd door het slaken van de hiv-kreet. Tot op de dag van vandaag kan immers niemand aangeven wat hiv dan wel aan het doen is waardoor het als oorzaak zou kunnen worden aangemerkt. Daar bestaan alleen concurrerende, speculatieve theorieën over.
De grote verdwijntruc
Wat gebeurt er nu met de vele gevallen van hiv-negatief aids? Het antwoord is hetzelfde als bij ICL: ze worden uit de aidsstatistieken gehouden en ondergebracht bij de concrete aandoeningen. Hier zijn we op het punt beland van waarschijnlijk de grootste vorm van bedrog in de aidswereld: het te bewijzen oorzakelijk verband tussen hiv en aids wordt ingebouwd in de definitie. De eerder genoemde correlatie tussen beide is namelijk niet alleen aanwezig, maar is in overstelpende mate aanwezig. Dat gaat als volgt:
1. Ziektes worden tot aids gerekend wanneer er sprake is van een seropositieve test ofwel van het veronderstelde hiv-virus. Aids wordt gedefinieerd als bijvoorbeeld PCP-longontsteking + hiv, baarmoederhalskanker + hiv of dementie + hiv.
2. Ziektes worden niet tot aids gerekend wanneer er sprake is van een seronegatieve test. Degenen die hieraan voldoen, hebben dus een PCP-longontsteking, baarmoederhalskanker of dementie.
Door aids te omschrijven als een bepaalde aandoening + hiv blijven alle aidsaandoeningen - hiv buiten de definitie. Hiv-negatief aids verschijnt daardoor nergens in de aidsstatistieken en er ontstaat een correlatie die de 100 procent benadert. Zo komt er automatisch uit dat alleen hiv aids veroorzaakt. Deze ‘overtuigende’ correlatie wordt vervolgens als bewijs gepresenteerd.
Met dergelijke redeneringen is het einde van de wetenschap nabij.
Een beleid tegen 'co-factoren'
De officiële theorie houdt in dat hiv zowel een noodzakelijke als voldoende voorwaarde is voor aids:
• Een noodzakelijke voorwaarde betekent dat er geen aids kan bestaan zonder hiv. Deze stelling is onhoudbaar gebleken vanwege het zeer veelvuldig voorkomen van hiv-vrij aids;
• Een voldoende voorwaarde betekent dat er geen co-factoren bij hiv nodig zijn om aids te veroorzaken. De vele co-factoren die tot immuunsuppressie leiden weerspreken dit.
Het uitschakelen van co-factoren ten bate van een eenzijdige fixatie op hiv heeft grote praktische consequenties gehad en heeft die nog:
• Door te focussen op hiv faalde de voorlichting omdat andere risicofactoren niet werden belicht. Mensen met aids of die risico liepen dit syndroom te ontwikkelen hebben, in de veronderstelling dat alleen het vermeende virus moest worden bestreden, niet of onvoldoende de noodzaak ingezien zich te bekommeren om leefstijlfactoren of andere belastende omstandigheden. Door te weigeren deze factoren integraal onderdeel te maken van het aidsbeleid zijn vele onnodige slachtoffers gevallen;
• Door aan de hand van een positieve test, aangezien als een bevestiging van een hiv-infectie, een onvermijdelijke ontwikkeling naar aids te voorspellen werd hiv een angstaanjagend stigma. Het leidde tot ontmoediging, stress, wanhoop en een voorbereiding op een als onafwendbaar voorgestelde dood;
• Door alles te zetten op de bestrijding van hiv werden mensen die seropositief hadden getest, onderworpen aan desastreuze medicatie die veelal in de dood eindigde.
De kritische opvattingen over aids overstijgen alle het simplistische ‘one disease, one cause’ niveau. Hiv wordt noch als noodzakelijke noch als voldoende voorwaarde voor aids gezien. Men hanteert een multifactoriële benadering, waarbij een samenstel van factoren verantwoordelijk wordt gehouden.
Verschil in opvatting is er over de al dan niet aanwezige rol van hiv. Een eerste mogelijkheid is dat hiv een bestaand virus is dat echter afdoende door het immuunsysteem onder controle wordt gebracht en daarom onschadelijk is. De tweede optie lijkt in dissidente kring toonaangevender te zijn geworden, namelijk dat isolatie van het hiv-virus volgens de vereiste wetenschappelijke methode niet heeft plaatsgevonden zodat het bestaan ervan niet bewezen is. Dan speelt het vanzelfsprekend ook geen rol in aids. De derde opvatting, die tussen de officiële en dissidente visie in staat, kent hiv een bescheiden rol toe in het ontstaan van aids, naast een veelvoud aan andere immunosuppressieve factoren.
Het is hier niet de plaats partij te kiezen binnen deze controverse. Voor de door mij onderschreven stelling dat hiv überhaupt geen rol speelt in het ontstaan van aids, is een andere argumentatie nodig. [18]
De hiv-aids theorie wordt nu al een kwart eeuw gepropageerd als uit en te na bewezen omdat er ‘overstelpend’ wetenschappelijk bewijs voor zou zijn. In werkelijkheid staat ze op essentiële punten haaks op de feiten en kan ze alleen gehandhaafd worden door regels voor wetenschapsbeoefening met voeten te treden. Dat is ook de reden waarom debat met dissidenten geweigerd wordt en vergaande middelen noodzakelijk en geoorloofd worden geacht om hen uit te schakelen: zij zijn te bedreigend.
Hoe lang het duurt voor het oppermachtig aidsbastion ineenstort en de kritiek van dissidenten als juist moet worden erkend – dat weet niemand. Maar de tijd werkt in het voordeel. Zoals de filosoof Arthur Schopenhauer (1788-1860) eens zei:
Elke waarheid doorloopt drie stadia. Eerst wordt zij geridiculiseerd. Vervolgens wordt zij sterk tegengewerkt. Dan wordt zij beschouwd alsof zij altijd al vanzelfsprekend is geweest.
1.http://www.centerforaidsprevention.org/index.php/about_aids/welcome.html
2. Men leze hiervoor het briljante artikel van de wetenschappers David Rasnick en Peter Duesberg, oorspronkelijk in 1998 verschenen in het tijdschrift Genetica, ‘The AIDS dilemma: drug diseases blamed on a passenger virus’. Te vinden via http://www.duesberg.com/papers/1998%20Dues%20&%20Ras,%20Genetica-textfile.pdf 3. Zie hiervoor de uitgebreide grafieken bij Robert Root-Bernstein, Rethinking Aids. The Tragic Cost of Premature Consensus (1993), p. 165-169.
4. Peter H. Duesberg, Inventing the AIDS Virus (1996), p. 189.
5. Root-Bernstein, p. 164, 247.
6. Science, 4 mei 1984, vol 224, no 4648 p. 497-500.
7. http://www.rethinkingaids.com/Home/tabid/146/Default.aspx
8. Duesberg, Inventing the AIDS Virus, p. 644-645.
9. Uitgebreid in: Ton Geurtsen, Derde Wereld: niet aids maar ondervoeding.
10. http://www.healtoronto.com/nih/; P.H. Duesberg, ‘The HIV gap in national AIDS statistics’ in Biotechnology 11: 956 (1993), te vinden via http://www.duesberg.com/papers/the%20hiv%20gap.pdf
11. Duesberg, Inventing the AIDS Virus, p. 427.
12. Mohammed Ali Al-Bayati, ‘Essential Measures To Stop The AIDS Epidemic’: http://www.bmj.com/cgi/eletters/328/7434/249
13. Root-Bernstein, p. 11-15.
14. Hui M, Kwok WT, Pneumocystis carinii pneumonia in Hong Kong: a 10 year retrospective study; J Med Microbiol. 2006 Jan;55(Pt 1):85-88.
15. Craiu M, Stan I, Cernatescu I, Sajin M, Georgescu A, Avram P.; Institutul de Ocrotire a Mamei si Copilului, Alfred Rusescu, Clinica 1 Pediatrie; Pneumologia. 2005 Jul-Sep;54(3):158-62.
16. Mikaelsson L, Jacobsson G, Andersson R., Pneumocystis pneumonia - a retrospective study 1991-2001 in Gothenburg, Sweden; J Infect. 2006 Jan 2 - http://www.ncbi.nlm.nih.gov/pubmed/16403575
17. Overgaard UM, Helweg-Larsen J., Pneumocystis jiroveci pneumonia (PCP) in HIV-1-negative patients: a retrospective study 2002-2004; Department of Internal Medicine, Nykøbing Falster Sygehus, Rigshospitalet, Copenhagen, Denmark; Scand J Infect Dis. 2007;39(6-7):589-95.
18. http://www.healtoronto.com/10reasons.html |