“Wij moesten Peter
Duesberg in diskrediet brengen”
tekst: Jon Rappoport
datum: 21 februari 2003
gevonden op: www.rumormillnews.com
vertaling: Gert
Dit is
deel drie van een reeks over de AIDS-mythe: de geheime campagne om HIV in stand
te houden als veroorzaker van AIDS.
In het voorjaar van 1987 realiseerde
Ellis Medavoy (propaganda consultant) zich dat zijn doelstellingen risico liepen
door een viroloog aan de Universiteit van Berkeley, genaamd Peter Duesberg. Die
had kort daarvoor een lang artikel gepubliceerd in het tijdschrift ‘Cancer Research’,
dat stelling nam tegen de gedachte dat HIV de oorzaak zou zijn van AIDS.
Duesberg was niet de eerste de beste. Op zijn gebied was hij een topper en hij
beschikte over fondsen om zijn onderzoeken te ondersteunen. In Berkeley had hij
een laboratorium en promoventen stonden in de rij om deel uit te kunnen maken
van zijn team. Bovendien was Duesberg een erkend expert op het gebied van retrovirussen.
Hij was, op zijn eigen manier, qua prestige de gelijke van Robert Gallo. Duesberg
had samengewerkt met zowel Gallo als Montagnier in het mislukte ‘Viral
Cancer Project’, een poging aan te tonen dat kanker wordt veroorzaakt door
retrovirussen.
Duesberg had zich uit dat project terug getrokken. “Het was me duidelijk
dat het tot niets zou leiden,” vertelde hij me. “Die virussen waren
interessant, maar ik begreep dat ze niet van werkelijk belang waren in het kader
van kankeronderzoek. Gallo en de anderen bleven echter aan het project deelnemen
op grond van hun persoonlijke afwegingen. Ik was blij dat ik er uit was gestapt.
Weliswaar tot op zekere hoogte teleurgesteld, maar ik had gezien wat er te zien
was.”
Medavoy sprak zich er als volgt over uit: “Duesberg was onvoorspelbaar.
Het was duidelijk dat een van ons dat zou zijn, en hij was het. Hij keek dwars
door de propaganda heen die we verspreidden onder het mom van wetenschap. Hij
pakte HIV aan vanuit de optiek van een onderzoeker en wat hij vertelde klopte
ook. Overigens realiseerde hij zich niet dat er op hoog niveau een intensieve
propagandacampagne op touw was gezet om HIV te ‘beschermen’ als oorzaak
van AIDS.
Hij was een wetenschapper. Hij kende het verschil tussen serieus en slecht onderzoek,
of zelfs bedrog. En HIV was, vergis je niet, vanaf de allereerste dag bedrog.”
In zijn document over kankeronderzoek had Duesberg een aantal beweringen gedaan.
Eén van de belangrijkste daarvan was dat HIV hooguit een heel klein percentage
van het immuunsysteem (T-cellen) zou kunnen infecteren. Dit leidde tot niets.
Als HIV het immuunsysteem kon vernietigen dan zou daar meer voor nodig zijn.
Duesberg verzette zich ook tegen de tegenstelling die ten grondslag lag aan de
HIV-tests. Hij constateerde dat bij de test het bloed werd onderzocht op de aanwezigheid
van antilichamen die waren ontstaan door het menselijk afweersysteem tegen HIV.
De aanwezigheid van dergelijke antilichamen werd geïnterpreteerd als een
voorteken dat iemand een volledige AIDS-conditie zou ontwikkelen en daaraan zou
sterven. Anderzijds echter zou een vaccin tegen AIDS dezelfde antilichamen produceren
en in dat geval zou zo’n persoon immuun tegen AIDS worden verklaard.
Medavoy: “Duesberg had daarin gelijk. Hij begreep dat de HIV-test volkomen
waanzin was. Hij maakte de onderzoekswereld duidelijk dat ze verstrikt waren
geraakt in bedrog en wij moesten dus met spoed de schade zien te beperken.”
Duesberg was niet het enige probleem. Er werden meer mensen wakker op Berkeley.
Harry Rubin, één van de werkelijk groten op het gebied van virologie,
was bereid om zijn idee publiek te maken dat er een ‘second opinion’ nodig
was met betrekking tot HIV. Richard Strohman, een celbioloog aan dat instituut,
was evenmin tevreden met de iets te eenvoudige kroning van Gallo als de ontdekker
van de oorzaak van AIDS. Bovendien was er nog die onorthodoxe professor in de
rechtswetenschappen, Phillip Johnson, die meer dan bereid was om aan het geruzie
deel te nemen. Niet alleen was hij het met Duesberg eens, hij zorgde er ook voor
dat de argumenten tegen HIV op een meer gestructureerde manier naar buiten werden
gebracht dan Duesberg dat, middels gesproken fora, tot dan toe had gedaan.
Uiteindelijk groeide de groep uit tot meer dan 300 wetenschappers en journalisten
die een kort document ondertekenden waarin werd duidelijk gemaakt dat HIV-wetenschap
mank ging en geheel moest worden herzien door onpartijdige personen. Eén
van de ondertekenaars was Kary Mullis, een genomineerde voor de Nobelprijs, die
de PCR-test voor DNA had uitgevonden. Mullis was onverbiddelijk als het aankwam
op HIV en maakte geen onderscheid in wie hij aanpakte.
In 1987 was het echter
voornamelijk Duesberg die het voortouw nam tegen de nepwetenschap. Zijn voornaamste
bondgenoot was Harvey Bialy, de wetenschapsredacteur van Bio/Technology, een
zusteruitgave van Nature, een hoog gewaardeerd medisch tijdschrift. Bialy walgde
van de overhaaste conclusies naar aanleiding van Gallo’s
ongefundeerde claims dat HIV de oorzaak zou zijn van AIDS.
Hij was bepaald niet iemand met wie je op papier de strijd moest aangaan. Hij
vond het aardig om juist datgene te doen waar de meeste carrièremakers
in de wetenschap een broertje aan dood hadden: hij las belangrijke documenten
met betrekking tot HIV tot in detail door en maakte dan punt voor punt brandhout
van de argumenten. Net als Duesberg las hij de kleine lettertjes en de sectie
over de onderzoekstechniek en hij was vernietigend in zijn kritiek. Bialy nam
waar dat op een gebied (virologie) waar voorheen levendig en diepgaand werd gediscussieerd,
AIDS het voornaamste onderwerp van gewauwel was geworden. Persconferentiewetenschap.
Leeghoofdwetenschap. Wetenschap bij de gratie van fondsenwerving.
In 1987 was
het Ellis Medavoy’s taak om HIV te beschermen tegen alle
schadelijke invloeden en hij vertelde me dat hij daar een beetje genoeg van kreeg.
Hij wilde ermee stoppen en was bereid zijn lange carrière te eindigen
als een van de bad guys, voornamelijk omdat hij begreep dat er een ontwikkeling
was naar ontvolking en dat dit tientallen jaren in beslag zou nemen. Dat ging
verder dan hij had bedoeld.
Medavoy was een beetje instabiel, om het
maar eens zo uit te drukken. De ene dag wilde hij de handdoek in de ring gooien,
de andere nam hij een uiterst arrogante houding aan ten aanzien van de rest van
de mensheid. Hoe dan ook, voordat hij er uiteindelijk mee stopte, begon hij me
toch te vertellen waar hij mee bezig was en, in enkele gevallen, hoe hij dat
deed.
Ellis Medavoy
en zijn collega’s hadden behalve Peter Duesberg nog een
ander probleem. Door de inzet van bepaalde ‘subversieve verslaggevers’ (je
mag raden wie daartoe behoorde) kwamen er geforceerd contacten tot stand met
de alternatieve gezondheidsgemeenschap. Sommige van die activisten, met hun specifieke
gedachten over de relatie tussen ziektes en bacillen, raakten nogal opgewonden
na berichten over nep-HIV-wetenschap. Bovendien waren er mensen die de diagnose
HIV seropositief hadden gekregen of zelfs een AIDS-aanduiding, die dit uitstekend
overleefden omdat ze hun gezondheid in acht namen. Zij wezen het hele HIV-idee
van de hand, hielden zich lichamelijk fit, stopten met recreatieve drugs, namen
voedselsupplementen, en zo voort. Ook hielden ze zich ver van AZT.
Deze mensen waren het levend bewijs van een sensationeel soort van genezing en
als DAT bekend werd zou het hele kaartenhuis instorten.
Medavoy vertelde: “Veel van wat we in die periode deden was het voorkomen
dat dingen in druk zouden verschijnen. Vaak is dat belangrijker dan het verspreiden
van leugens. Er waren nogal wat kranten en tijdschriften die op het punt stonden
om Duesberg in de gelegenheid te stellen zijn ideeën wereldkundig te maken.
Dissidente wetenschappers wijzen HIV als de oorzaak van AIDS af. Daarom startten
we een gezamenlijke actie om dat te voorkomen.
De wetenschappers aan het NIH (National Institutes of Health) hadden het meest
te verliezen wanneer Duesberg voet aan de grond zou krijgen, dus lieten we hen
de public relations doen bij de afwijzing van Duesberg’s theorie. Dat daarbij
een vorm van karaktermoord werd toegepast vonden we wel fijn.
Op deze manier kregen we ‘betrouwbare bronnen’, waarmee we die kranten
en tijdschriften benaderden. We maakten hen duidelijk dat het publiceren van
positieve artikelen over Duesberg GEVAARLIJK en ONVERANTWOORDELIJK was. Dat was
onze bijdrage. We lieten onze mensen zeggen dat duizenden mensen zouden kunnen
sterven wanneer ze niet langer geloofden dat HIV de oorzaak van AIDS was. Promiscuïteit
zou wilder om zich heen grijpen dan ooit, mensen zouden geïnfecteerd raken,
ziek worden en het virus nog verder verspreiden. We bleven er op hameren en intimideerden
het merendeel van die media. Het lukt voor het grootste deel.
“Er was natuurlijk de vervelende, almaar groeiende, lijst van AIDS-overlevers;
mensen die de HIV-theorie afwezen en hun gezondheid weer op peil brachten zonder
medicatie. We probeerden lopende verhalen over dergelijke gevallen in het oog
te houden en ventileerden dat die mensen ‘excentrieke vegetariërs’ waren, ‘anekdotische
voorbeelden die nog niet waren bestudeerd door echte wetenschappers’, ‘publiciteitszoekers’,
en zo voort.
We vertelden dat een aantal van hen sowieso nooit echt HIV-positief waren geweest.
Het was gewoon prijsschieten en we slaagden heel aardig in onze doelstellingen.
Sommige verhalen over die overlevenden bleven verschijnen, maar de algemene toon
was ‘die-en-die is een merkwaardige curiositeit en wetenschappers bestuderen
waarom hij al zo lang doorleeft zonder ziek te worden en dit zou best een belofte
voor de toekomst kunnen zijn’. Je kent het wel, dat soort kul.”
Nog
een citaat van Medavoy over de AIDS-zwendel:
”Ik kende meer doelstellingen die een rol speelden bij het overhalen van
onderzoekers om voor een nieuwe standaard voor HIV en ziekte te lobbyen en die
ingevoerd te krijgen, helemaal gebaseerd op T-cellen. (opm: deze ‘innovatie’ kwam
pas veel later dan 1987). Tests zouden uitwijzen of iemand aan het ‘ziek
worden’ was of dat zijn toestand juist ‘verbeterde’ nadat hij
zijn AZT had geslikt, simpelweg door meting van het aantal T-cellen (onderdeel
van het immuunsysteem). Deze onderzoekers wisten en waren daar zelfs op geïnstrueerd,
dat T-cellen normaal gesproken doorlopend wijzigen. Op en neer, afhankelijk van
factoren als de tijd van de dag waarop de test wordt afgenomen. Het was een nieuw
voorbeeld van quasi-wetenschap en ze buitten dat uit. Ik zal een voorbeeld geven.
Iemand heeft te horen gekregen dat hij HIV-seropositief is en, hoewel hij beslist
niet ziek is, wordt hij elke paar maanden getest op z’n hoeveelheid T-cellen.
Vroeg of laat daalt die waarde en je mag er op rekenen dat de ‘patiënt’ in
zo’n geval officieel als AIDS-lijder wordt gediagnosticeerd. Als hij al
niet aan de AZT was gaat dat op dat ogenblik gebeuren.”
Halverwege de jaren negentig kreeg Peter Duesberg geen overheidsfondsen meer.
Zijn hoofdlaboratorium in Berkeley bestond niet meer. Promoventen werd duidelijk
gemaakt dat hun carrière gevaar liep als hun naam met die van Duesberg
in verband kon worden gebracht.
Jaren daarvoor had Robert Gallo me al verteld: “Het probleem met Peter
is, dat hij anders is. Hij is intelligent en hij gaat zijn eigen richting. Soms
is dat ... ongebruikelijk, vreemd zelfs. Hij kan met opzet moeilijk doen,
weet je. Alsof hij een pose aanneemt waarmee hij iedereen uitdaagt. Hij is een
bijzonder mens.”
Ironisch genoeg kwamen die woorden uit de mond van de tirannieke en arbitraire
Gallo, de man die zich een niet-bestaand virus had toegeëigend.
Jon Rappoport |