EEN ANDERE KIJK OP HIV, AIDS, OORZAKEN, BEHANDELINGEN EN GEVOLGEN

Nieuw op de site:

Waar is het 'overstelpend bewijs'
Bij de dood van Christine Maggiore
HIV/AIDS en het NRC
Gouden toekomst
Aids of ondervoeding?
Kindergenocide
Hoe het begon
(Product) RED
Wereldaidsdag
$1.000.000 beloning

Actueel

Beginselverklaring

Dr. Wilhelm Godschalk legt nog eens haarfijn uit hoe dat nou zit met HIV/AIDS dissidenten.

Zijn column staat hier...

Eliza Jane Scovill died of an Allergic Reaction to Amoxicillin – Not AIDS

Christine Maggiore's dochter stierf niet aan AIDS, maar aan de gevolgen van een vorm van penicilline...!
Klik hier

HI VIRUS

index:

pseudowetenschap
hypothese/geloof 1
hypothese/geloof 2
bashing duesberg 1
bashing duesberg 2
eliza jane
vogelgriep 2
vogelgriep 1
het begin
shitwetenschap
verborgen kanten 1
verborgen kanten 2
smon
publieke opinie
hagen / duesberg
lymfeklieren
aids-dokter

AIDS en het creëren van de publieke opinie

Michael Tracey
1995

Vertaling: Hades

 

*Uit de beëdigingsspeech van Michael Tracey, Colorado University, Boulder Colorado USA voor de Chair of International Communication, aan de Universiteit van Salford, Engeland in 1995*

Voor mij begon het hele verhaal twee jaar geleden, op een late zondagavond, lekker thuis in Boulder. Voor zover ik over AIDS had nagedacht, was het de conventionele manier, over HIV-infecties, onveilige sex, dood, we lopen allemaal het risico, condo-manie, dramatische TV-spotjes en de algemene gedachte dat sexuele overdaad een enkeltje kerkhof betekende, en dat elke vorm van sex, overdadig of niet, de meest verschrikkelijke consequenties kon hebben.

Het was rond middernacht, het huis was stil, en met een heerlijk glas Chablis in mijn ene hand, deed ik wat ik meestal deed, met mijn andere hand lekker zappen voor de TV. De eeuwige optimist die ik ben, dacht ik tussen de 50 kanalen wel een normaal programma te kunnen vinden, in onze goedontwikkelde televisiecultuur.
Ik kwam een discussieprogramma tegen, gepresenteerd door de zwarte journalist Tony Brown. Ik bleef even hangen, en raakte gefascineerd door wat ik hoorde.
De discussie ging over AIDS en over het feit dat de HIV hypothese, zoals gesteld door een van de participanten, “dood” was.
De discussie ging ook over het medicijngebruik in de context van AIDS, dat de behandelingen gevaarlijker zijn dan de infectie, en dat vooral de zogenaamde /DNA Chain-Terminator/ AZT een regelrechte moordenaar is.

Ik hoorde ook iets wat me ontstelde.
In het proces van verhuizing naar de VS, had ik twee AIDS-tests moeten ondergaan, één om een verzekeringspolis te kunnen afsluiten, en de tweede voor het INS, als onderdeel voor mijn aanmelding als permanente inwoner.
De test van het INS is een onderdeel van de overheid, om iemand zijn fitheid om binnen de republiek te kunnen wonen aan te tonen, waarbij ook vragen worden gesteld over of iemand nu of in het verleden zo gek als een deur is geweest, of iemand van plan is door middel van wapens de gekozen regering omver te werpen, en of iemand van plan is gebruik te maken van de opbrengsten van prostitutie.
Deze vragen moest ik overigens ook beantwoorden uit naam van mijn toen vierjarige dochter, al hoefde zij niet de AIDS-test af te nemen. Ik weet nog goed hoe ongemakkelijk ik me voelde tijdens het wachten op de uitslag, terwijl langzaam mijn leven aan me voorbijtrok. Ik was nerveus, ook al had ik daar weinig reden toe. Als de test positief terugkwam, dan was dat het, dan was mijn leven voorbij, het leven van mijn familie vernietigd, Magere Hein zou op me staan wachten om nog zo’n Pest-slachtoffer mee te nemen. En we zouden worden uitgezet.
De test kwam negatief terug, een zucht van verlichting, het leven kon doorgaan.

Met de kennis die ik nu heb over de serieuze problemen met de test, had ik nog veel opgeluchter moeten zijn, aangezien de test berucht is om vals-positieve uitslagen. Toen ik voor de TV zat te kijken, hoorde ik dat de test niet testte op het virus, maar op anti-lichamen van het virus. Ergens diep in de plooien van mijn geheugen meende ik mij biologielessen te herinneren, waar ik leerde dat de aanwezigheid van antilichamen betekent dat het lichaam succesvol tegen infectie had gevochten. Ik hoorde ook dat sommige wetenschappers niet geloofden dat het virus AIDS veroorzaakte. Mijn radertjes gingen draaien. Als er enige waarheid schuilde in wat ik hoorde, wat was er dan in het afgelopen decennium in publieke redevoering over AIDS gaande? Ik had geen flauw idee of de uitspraken die ik hoorde, die duidelijk ketters waren, klopten, een beetje klopten, of ronduit niet klopten.

Maar toen ik mezelf de “wat als...”vraag stelde, volgde de volgende vraag logischerwijs: Hoe kon het zijn dat de HIV-hypothese zo snel en zo muurvast in in het westerse denken was gaan zitten? Waarom had ik deze argumenten nooit eerder gehoord? Waarom had ik klakkeloos de HIV-hypothese als waarheid aangenomen?
Die vraag alleen maar stellen voelde vreemd, omdat je dan per definitie een problematische stelling aanhaalt, die de wetenschap al tien jaar presenteerde als niet problematisch. De enige manier om een antwoord op deze vragen te krijgen, is bij het eerste begin beginnen. Het is een verkenning die voor mij continue doorgaat.

Joel Weisman, een dokter uit Los Angeles, met een groot aantal homosexuele mannen in zijn patientenkring, ontdekte aan het eind van 1979 een toename van een Mononucleosis-achtig syndroom, gekenmerkt door koorts, gewichtsverlies, opgezwollen lympheklieren, diarree en orale en anale klachten. Betreffende patienten waren allemaal jonge, homosexuele mannen. In 1981 werden vijf van deze patienten met speciale aandacht in de gaten gehouden door de gezondheidsdiensten van Los Angeles. Onderzoeken hadden iets opgeleverd dat zowel verontrustend als ongewoon leek. Alle vijf patienten toonden een afname in het aantal lymphocyten, toe te schrijven aan de bijna geheel verdwenen aantallen T-helpercellen. Ook hadden ze allemaal Pneumocyctis Carinii Pneumonia (PCP). PCP is alomtegenwoordig onder de menselijke populatie en veroorzaakt alleen ernstige ziekte als er een ernstig defect in het immuunsysteem zit, ofwel in pasgeborenen ofwel in volwassenen die immuniteit onderdrukkende medicijnen krijgen toegediend. Met andere woorden, volgens de conventionele theorie zouden deze mannen niet aan PCP moeten lijden. De Centers for Disease Control (CDC) in Atlanta maakte zijn eerste officiele bekendmaking van dit probleem openbaar in zijn wekelijkse bulletin met de beangstigende naam Morbidity and Mortality Weekly Report (MMWR), op 5 juni 1981.

De geschiedenis van onze, deze tijd vertelt ons nog iets over de patienten, maar dan incidenteel, naast de ernstige aanwezigheid van PCP. De vijf patienten gebruikten allemaal op regelmatige basis zogenaamde poppers (amyl of butylnitriet, genoemd naar het poppende geluid van het openbreken van de ampullen, om vervolgens de vrijkomende stof op te snuiven, gebruikt in de homokringen om orgasmes te versterken), en één was een intraveneus druggebruiker (IV). Hier later meer over.
Het CDC-rapport suggereerde: “de mogelijkheid van een cellulair-immuun disfunctioneren, gerelateerd aan normale blootstelling die personen vatbaar maakt voor opportunistische infecties zoals Pneumocyctis en Candidiasis.”
5 Juni 1981. Het AIDS tijdperk was begonnen.

Er was een onvermijdelijke en razende inzet om erachter te komen wat er aan de hand was, wat de bron van het probleem was, en hoe men het vervolgens kon genezen. Hier zit een geschiedenis achter, die ik gedwongen achterwege moet laten om het niet al te lang te maken, en omdat het in bepaalde zin niet van belang is voor mijn verhaal.

Wel is relevant, dat op 24 april 1984, Margareth Heckler, US Secretary of Health and Human Services, voor een groot journalistenpubliek verscheen met de mededeling dat Dr. Robert Gallo en zijn collega’s van het National Cancer Institute, een nieuw virus hadden geisoleerd, hadden bewezen dat het verantwoordelijk was voor AIDS, de laatste hand legden aan een test die in november op de markt zou komen, en binnen twee jaar een vaccin zouden hebben ontwikkeld.
Het kleine probleem, later nogal vernederend voor Gallo, dat Heckler later die dag het podium op volgde, was dat niet zij het virus hadden geisoleerd, dat ze niet hadden aangetoond dat het HTLV-III virus verantwoordelijk was voor AIDS, en het was ook voor hen groot nieuws dat ze met een test zouden komen en goed op weg waren een vaccin te ontwikkelen. Maar het was het Amerika van Ronald Reagan, hij moest binnenkort herkozen worden en stond onder grote druk om iets aan de aanstormende epidemie te doen.

De sfeer van het moment wordt goed weergegeven in een uitspraak van Heckler tegenover de meute journalisten: “Vandaag voegen we een nieuw wonder toe aan de lange, eervolle rol van de Amerikaanse geneeskunde en wetenschap. De ontdekking van vandaag representeert de overwinning van de wetenschap over een verschrikkelijke ziekte. Zij die deze wetenschappelijke zoektocht hebben gekleineerd -zij die zeiden dat we niet genoeg deden- hebben niet begrepen hoe oprecht, solide en veelbetekenend medisch onderzoek doorgaat”.

Wat de journalisten te horen kregen, maar met geen mogelijkheid in twijfel konden trekken, en wat ze in de daarop volgende dagen, maanden en jaren aan hun lezers, kijkers en luisteraars kenbaar zouden maken, was de algemeen aangenomen en rechtlijnige AIDS-hypothese: AIDS steekt de kop niet op in afwezigheid van HIV-infectie, en HIV-infectie is noodzakelijk en een doeltreffende toestand om AIDS ter veroorzaken, omdat de HIV-infectie een specifiek type imuunsysteem-cellen vernietigt, namelijk T-helper of T4-cellen. Omdat T-helpercellen een belangrijke rol spelen in het bevorderen van een scala aan immunologische activiteiten, betekent vernietiging van deze cellen een verlammende slag tegen de immuunfuncties. De immuunbeschadiging leidt binnen een gemiddelde van 10 tot 12 jaar tot AIDS, bij 50 tot 100% van de geinfecteerden. "Ergo, het virus wordt geacht een noodzakelijke en doeltreffende oorzaak te zijn van de vernietiging van het immuunsysteem en, ergo van AIDS."

De effecten van de persconferentie waren onmiddelijk buitengewoon krachtig in het bepalen van de toon in toekomstige debatten over AIDS. De woorden “virus”, ”oorzaak” en “AIDS” werden onafscheidelijk, en volstrekt voor waar aangenomen door de media, op een klein groepje aan de rand na. Om een idee te geven van de kracht van de orthodoxe hypothese, zal ik referen aan een fascinerend stuk werk door een van mijn doctorale studenten, Denny Wilkins.
Hij was ook geinteresseerd geraakt door de de manier waarop de media met dit onderwerp omging, en er verslag van deed (ik mag graag denken dat die interesse aangewakkerd werd door mij).Hij besloot het MAJPAP-file in de Nexusdatabase van 37 kranten te “ondervragen”. Hierin zaten onder andere The Times, The Guardian, The Sunday Times, The Independant, The FT, The Telegraph, net als de meeste grote Amerikaanse kranten (om een of andere reden zijn The Sun en The Star niet inbegrepen).
Denny zocht het aantal artikelen waarin de term “AIDS-virus” voorkwam – een term die hij terecht zag als de representatie van de “HIV veroorzaakt AIDS“-thesis.
In 1984 waren er nog maar 31 meldingen van de term, maar tegen 1991 kwam het voor in meer dan 3000 verhalen per jaar, in deze 37 kranten. In 1993 was de term zelfs 20.024 keer gebruikt.
Over andersgeorienteerde onderzoeken las je amper een volledige zin.

Toen ging Denny kijken hoe het Gallo was vergaan.
Naast honderden referenties vond hij termen als “beroemd”, “superster”, “befaamd”, “gerechtvaardigd”, “veelbetekenende stappen”, “de ene wetenschappelijke held”, “briljant, dynamisch”, “baanbrekend onderzoeker”, “die het AIDS-virus heeft ontdekt (of mede-ontdekt)”, “Gallo’s virus” en zo voort. Wat we hier zien is een duidelijk voorbeeld van het vormen van de publieke redevoering, de creatie van een AIDS-visie die niet openstond voor discussie, of dat nou ten opzichte van de media is of de “gewone” burger. De wetenschap en mevrouw Heckler hadden gesproken, en we zouden het geloven omdat er geen andere manieren waren om een tegen-hypothese te creeëren, een andere zienswijze te introduceren. Het meest voor de hand liggende gevolg van de gebeurtenissen die volgden op de Heckler-Gallo aankondiging, was dat de dollars gingen rollen, heel veel dollars, en Britse ponden, en yens, en D-marken. Sinds het midden van de jaren ‘80 is er meer dan 20 miljard dollar uitgegeven door de federale regering van de VS aan AIDS-onderzoeken en behandelingen. Feitelijk is AIDS-onderzoek de grote bevoorrechte tak van medisch wetenschappelijk onderzoek geworden. Het CDC beschouwt aan AIDS geassocieerde complicaties als doodsoorzaak nummer 9 in de Verenigde Staten, na hartaandoeningen (ongeveer 725.000 per jaar), kanker (ongeveer 500.000), beroertes (ongeveer 125.000), ongelukken (ongeveer 94.000), ademhalingsziekten (ongeveer 89.000), longontsteking en griep (ongeveer 79.000), diabetes (ongeveer 49.000), en zelfmoord (ongeveer 31.000), AIDS komt op ongeveer 30.000 per jaar.
En toch overschrijdt de geldstroom van de overheid van de VS aan AIDS die van alle andere doodsoorzaken. De toekennig in het fiscaal jaar 1994 had een toename van 30% tot $2,5 miljard, $400 miljoen meer dan aan kankeronderzoek, ook al is het sterftecijfer bij kanker 16 keer groter dan bij AIDS. Met andere woorden, in 1990 was voor elke AIDS-dode $53.745 uitgegeven, voor elke kanker-dode $3.241, en $922 aan elke dode door hartfalen.

Het is heel goed mogelijk inhoudelijk consequente, zelfs bekwame debatten te voeren met een verdeelde basis, en dat vol te houden zelfs als die basis nooit in twijfel wordt getrokken, of als problematisch wordt gezien. Echter, als de oorspronkelijke basis is misplaatst, foutief, onjuist of ronduit belachelijk is, dan zal elke daaropvolgende ingewikkelde basis nooit de fout, misplaatsheid of belachelijkheid ontkennen. Dus zal de uitgebreide focus op AIDS, specifiek aangaande de uitgegeven fondsen, geheel afhangen van de geloofwaardigheid van de oorspronkelijke basis. Als die basis foutief is, dan is alles op zijn minst misleid, en op zijn ergst zou het een afleidende tijdsverspilling zijn. En toch is er vanaf het prille begin van de crisis, zelfs toen de grote meerderheid nog niet eens van een crisis op de hoogte was, een tegen-basis, een alternatieve zienswijze, die op verschillende manieren gepresenteerd werd maar die als basis hadden dat de 10 jaar lang algemeen aangenomen HIV-hypothese foutief was, zelfs compleet onjuist. Laat me een poging doen een paar van die argumenten aan te kaarten.

Er zijn door sommige wetenschappers drie fundamentele redenen naar voren gebracht, om aan te tonen waarom ze sterk twijfelen aan de huidige stelling dat HIV AIDS veroorzaakt.

  1. Na miljarden dollars aan onderzoeksgelden kunnen HIV-onderzoekers nog steeds niet verklaren hoe HIV, een conventioneel retrovirus met een hele simpele genetische samenstelling, het immuunsysteem zo zwaar kan beschadigen.
  2. In de afwezigheid van enig verklarend model over hoe HIV AIDS veroorzaakt, is de geintroduceerde bewijsvoering om de thesis te ondersteunen epidemiologisch, en daardoor fundamenteel correlationeel. Het epidemiologisch bewijs is zowel het sterke als het zwakke punt van de thesis: aan de ene kant is er de aangetoonde aanwezigheid van HIV in patienten gediagnostiseerd met de aandoening genaamd AIDS.
    Aan de andere kant kunnen we die epidemiologie catagoriseren, en dan komen we tot de conclusie dat het overstelpende bewijs zich toen, en nu, binnen zeer specifieke risicogroepen bevindt. Dit niet weerstaand, blijft deze relatie correlationeel, en daardoor zeer suggestief over een mogelijk proces, dan dat er bewijs wordt geleverd over een werkelijk bestaand veroorzakend mechanisme in het lichaam. De correlatie tussen besmetting en “AIDS”, hoe aannemelijk ook, is ook verre van perfect. Er zijn veel gevallen bekend van mensen met AIDS, die alle symptomen vertonen, maar geen HIV dragen: en mensen met HIV-besmetting, die geen symptomen vertonen. Deze gegevens laten de hypothese falen in het eerste van de Postulaten van Koch, die van oudsher de basis hebben gelegd voor virologische definities, en die eisen dat een virus in elk stadium van een pathologie aanwezig is. Deze kritiek volgend blijkt ook dat de thesis niet voldoet aan het tweede en derde Postulaat van Koch, omdat het virus in 20-50% van de AIDS-gevallen niet geisoleerd kan worden, en omdat puur verkregen HIV geen AIDS veroorzaakte in andere, met het pure virus besmette soorten, zoals apen.
  3. Voorspellingen die gemaakt zijn aangaande de vermoedelijke loop van de epidemie, sloegen de plank spectaculair mis. Vooral de media waren belangrijk in het bekendmaken van in hoeverre het probleem zich zou verspreiden onder de gehele bevolking. De TV-presentatrice Oprah Winfrey verkondigde halverwege de jaren ‘80 aan haar publiek dat rond 1990 20% van alle heterosexuelen dood zouden zijn door de gevolgen van AIDS. In zijn boek “The AIDS cover up” (waarvan 300.000 exemplaren werden verkocht) claimde Gene Antonio dat in 1990, er 64 miljoen HIV-geinfecteerden zouden zijn in de Verenigde Staten. Het televisieprogramma en gelijknamige videoband “AIDS: The World Is Dying For The Truth” begon in 1988 met de woorden: “In de loop van de menselijke geschiedenis is er nooit eerder een kracht, natuurlijk of door de mens gemaakt, geweest die een nog vernietigender impact had op het menselijke ras, als dit kleine virus, HIV”. Het script gaat dan verder met cijfers van de World Health Organization (WHO) die vertellen dat aan het eind van de eeuw 100 miljoen dood zullen zijn, en deelt dan mede dat de AIDS-epidemie een “bedreiging vormt voor de mensheid, die ongeëvenaard is in de opgetekende historie”. Er werden cijfers geciteerd die zeiden dat in er in mei 1988 1,5 miljoen HIV+ patienten in de Verenigde Staten waren, dat er in 1995 11.250.000 patienten aan volledig ontwikkelde AIDS zouden lijden en 52.500.000 mensen HIV-positief maar symptoomvrij, en dat in 2008 er miljard geinfecteerden zouden zijn. (Eén wetenschapper die “bewijs” aanvoerde voor het Congres, zei 5 miljard infecties te verwachten, maar dat het op kon lopen tot 10 miljard. Dat dat meer was dan de gehele wereldpopulatie, leek haar niet van de wijs te brengen). William Connor van de HIVE foundation noemde het een “bedreiging op soortelijk niveau – er dreigt een conflict tussen soorten”.

Met andere woorden, het is ons of het virus. Volgens sommige observanten, zoals Kary Mullis, die in 1993 de Nobelprijs voor de Chemie ontving voor het ontwikkelen van de zogenaamde Polymerase Chain Reaction Techniek, voor het opsporen van DNA, die gebruikt wordt om fragmenten van HIV-DNA of RNA op te sporen in AIDS- patienten, blijkt dat de voorspellingen de plank volledig mis slaan. AIDS is niet geëxplodeerd binnen de algemene heterosexuele bevolking, en blijft bijna geheel begrensd binnen de oorspronkelijke risicogroepen, zijnde homosexuele mannen en hardnekkige druggebruikers.

In een artikel gepubliceerd in juni 1994, bespreekt Mullis, samen met co-auteurs Charles Thomas en Philip Johnson, het feit dat de verklaringen over hoe het virus het immuunsysteem vernietigt, zich verwijderen van de “enkele oorzaak” van de HIV-thesis, en dat ze toegaan naar meerdere factoren die als oorzaak kunnen dienen, waaronder mycoplasma’s, andere virussen, drugs en stress. Ze voegen toe: ”Maar onderzoekers zijn er nog niet in geslaagd om door middel van experimenten enige van de toenemende hoeveelheid exotische mogelijke oorzaken te bewijzen, en ze zijn het er nog niet over eens welke van de concurrerende verklaringen het meest plausibel is... de theorie wordt steeds ingewikkelder, zonder dichterbij een oplossing te komen. Dit is een klassiek symptoom van een verslechterend wetenschappelijk paradigma. Maar hoewel HIV-wetenschappers steeds verwarder worden over hoe het virus AIDS zou moeten veroorzaken, is hun antipathie om te denken dat HIV misschien, heel misschien niet de veroorzaker is van AIDS nog net zo sterk als voorheen. Als de sporadische gelegenheid zich aandient dat ze vragen kunnen beantwoorden over het onderwerp, verklaren ze dat “onweerlegbaar epidemiologisch bewijs” heeft vastgesteld dat HIV de oorzaak is van AIDS. Kortgezegd steunen ze op correlatie”. Maar die correlatie is in feite een taalkundige constructie, sinds in de definitie van het CDC staat dat: een HIV-infectie in combinatie met een indicatieziekte (waar er nu 30 van zijn) gelijk staat aan AIDS. Met andere woorden, de correlatie is een product van de theorie zelf. Ik wil hier aan toevoegen dat deze redenering sterke ondersteuning krijgt van een nogal verrassende bron, Dr. Luc Montagnier van het Pasteur Institute en tevens de persoon die, in 1983, het virus wel isoleerde. Hij concludeerde dat HIV als alleenstaand medium geen AIDS kan verklaren, en dat de orthodoxie die de theorie ondersteunt “een zelfbehoudende wetenschappelijk-industriële tweespan heeft gecreëerd, die net zo pervers is als de oude militair-industriële tweespan”.

De eerste en meest vasthoudende radicale criticus op het gebied van HIV-AIDS, is Peter Duesberg, professor in de moleculaire en cellulaire biologie aan de Universiteit van Californie in Berkeley. Het was Duesberg die als eerste een serieus, zichzelf staande houdend wetenschappelijk kritiekstuk over de HIV-thesis lanceerde, in een lang artikel in Cancer Research in 1987. Zijn vasthoudendheid in het bekritiseren van de thesis, waavoor hij een hoge persoonlijke prijs heeft moeten betalen, wordt weerspiegeld in het feit dat het tijdschrift Science in 1994 een “special news report” uitbracht, getiteld “The Duesberg Phenomenon”, een redelijk uitgebreide beoordeling van zijn argumenten, wat vlug een uitgebreide doorgaande correspondentie op gang bracht. Zijn standpunt: Retrovirussen, waarvan HIV er een is, hebben simpele structuren en doden geen cellen. Er is geen wetenschappelijk bewijs, ondanks jarenlange onderzoeken, dat retrovirussen enige aandoening in mensen veroorzaken, laat staan een syndroom dat duizenden heeft gedood. Hij voegt daaraan toe, dat minder dan 1 op de 10.000 tot 100.000 T-cellen op elk gegeven moment zijn geinfecteerd. Zelfs als elke geinfecteerde cel zou worden gedood, dan nog zou het aantal verloren T-cellen relatief onbeduidend zijn. Hij heeft geconcludeerd: “HIV is een ongevaarlijk virus. AIDS kan een niet-infectueuze aandoening zijn, die “verkregen” kan worden door druggebruik en andere niet-besmettelijke risico-factoren”, daarbij inbegrepen de toxische effecten van anti-HIV behandelingen, de voornaamste is AZT. Het is dit laatste punt dat heeft bewezen zeer gevoelig te liggen, omdat het in feite in tegenspraak is met de stelling dat in de meeste gevallen AIDS een zelftoegebrachte aandoening is, en dat vervolgens verergert door te zeggen dat die is toegebracht door de medische wetenschap, om een probleem te behandelen dat ze niet kunnen, of niet willen begrijpen. Dit is niet een populaire visie in bepaalde kringen.

Echter, de terugblik op Duesberg zijn werk in Science, en de doorgaande correspondentie zijn fascinerend, omdat er aan de ene kant goede tegenargumenten zijn op zijn stellingen, maar er aan de andere kant, aan het einde van een decennium dat gedomineerd werd door de HIV-AIDS thesis, er geen sluitende zaak tegen Duesberg kan worden gemaakt, en dan zijn er nog de vele steunbetuigingen naar Duesberg toe van andere wetenschappers, die een afbrokkelend paradigma beginnen waar te nemen. Afbrokkelend of niet, het paradigma blijft een krachtig en sterk onderdeel van de collectieve verbeelding, en verpletterend vastberaden op de manier waarop onderzoeksfondsen worden uitgegeven en publieke politiek wordt bedreven. De kracht van het paradigma, zou ik willen suggereren, hangt niet af van enige definitieve wetenschappelijke verdiensten van de zaak, maar eerder van een complot van institutionele en culturele krachten, waarvan de media, gedeeltelijk, de onbewuste meeloper.

Wat de media als overheersende boodschap naar buiten bracht was, in wezen, dat een HIV-infectie feitelijk een doodsvonnis was. Maar toch konden vanaf de eerste momenten van de crisis ook andere stemmen gehoord worden, ook al werden die naar de grens van de wetenschap geduwd, of zelfs compleet genegeerd. Vanaf het begin is het argument naar voren gebracht dat het virus misschien niet de enige oorzaak was, als het al de oorzaak was van AIDS. Er waren begin jaren ‘80 gepubliceerde studies over homosexuele mannen met AIDS, die bekendstonden als de voornaamste risicogroep, die aanduidden dat deze mannen nog iets anders gemeen hadden met elkaar, behalve hun sexuele gerichtheid: ze waren extensieve druggebruikers. Tussen september 1981 en oktober 1982 bestudeerde Harry Haverkos van het CDC het druggebruik van een groep homosexuele mannen. In zijn verslag “Disease manifestation among homosexual men with Acquired Immundeficiency Syndrome: A possible role in Kaposi’s Sarcoma”, concludeerde hij dat drugs een rol speelden. Het CDC weigerde het verslag uit te brengen. David Durack vroeg in december 1981 in een hoofdartikel in de New England Journal of medicine de ook nu nog interessante vraag, waarom AIDS vrij nieuw was, ondanks het feit dat virussen en homosexueel gedrag net zo oud zijn als de geschiedenis: “Eén of andere nieuwe factor zou de gastheer-parasietrelatie kunnen hebben verstoord. Zogenaamde recreatie-drugs zijn een mogelijkheid. Ze worden veel gebruikt in de grote steden waar de meeste gevallen zijn voorgekomen, en de enige patienten die werden gerapporteerd maar niet homosexueel waren, waren druggebruikers. Misschien dat één of meer van deze drugs een immuun onderdrukkend werktuig zijn. De voornaamste kandidaten zijn de nitrieten, die nu gewoonlijk geinhaleerd worden om orgasmes intensiever te kunnen beleven... Laat ons stellen dat de gecombineerde effecten van een hardnekkige virale infectie, plus een drug, immuunonderdrukking veroorzaakt bij sommige, genetisch vatbare mannen“. Onthoudt dat dit een hoofdartikel was in één van de meest gerespecteerde medisch-wetenschappelijke bladen in 1981.

De media vond het blijkbaar, als ze al van deze argumenten op de hoogte waren, bijna onmogelijk om er mee om te gaan. In plaats daarvan, ook gedeeltelijk door invloed van de regering, namen ze een paradoxale positie aan. Aan de ene kant veroorzaakten ze een homofobisch beeld, en moraliseerden en suggereerden dat dit een homoplaag was. Aan de andere kant volgden ze de lijn in de voorlichtingscampagnes, dat iedereen risico liep. Billboards waarschuwden mensen niet “te sterven aan onwetendheid”. Elk huishoudne kreeg folders door de bus, met de boodschap: “Iedereen kan het krijgen, man of vrouw”. Posters verklaarden: “AIDS is niet bevooroordeeld: het kan iedereen doden”, “Hoe langer U gelooft dat AIDS alleen anderen besmet, hoe sneller het zal verspreiden”, “AIDS-sterf niet aan onwetendheid”. De populaire pers, als altijd toegewijd om de integriteit van de vierde rang te demonstreren, gooide het over een andere boeg in de cruciale jaren die volgden op Heckler haar aankondiging: “Wraakdreiging van jonge mannelijke prostituees”, “Opzettelijke voortzetting met het nemen van minnaars door geinfecteerde mannen, zonder melding te maken van hun AIDS-besmetting”, “De dodelijk wraak van een AIDS-slachtoffer, die naar een sex-fuif ging”, “Prostituees verspreiden het als een wild vuur”. En ga zo maar door. Een analyse uit 1987 beschreef de verslagen als: “Effectbejag, tegenwerkend, deprimerend en crimineel onachtzaam”. Een meer recente analyse door Deborah Lupton gepubliceerd in 1994 in een boek, concludeerde: “AIDS berichtgeving in westerse naties heeft een beeldvorming opgeroepen die geassocieerd wordt met homofobie, angst, geweld, besmetting, invasies, racisme, sexisme, afwijking, heldendom en vreemdelingenhaat”. Vanuit een minder politiekgetinte zienswijze, kunnen we aan het brengen van AIDS-nieuws zien hoe problematisch het karakter van dat nieuws is, constructief maar gelimiteerd. Kort samengevat, nieuws over AIDS bestond uit tergend onjuiste feiten en verkeerde interpretaties, maar zeer succesvol in het creëren van een bewustwording die ons liet geloven dat er weer een bacil was die ons allemaal bedreigde.

We zijn nu wat verder in de tijd. We hebben een helderder zicht op het karakter van dat moment in het verleden, de bijbehorende angsten en afschuw, de ontstemmende achterliggende psychologie, en de neurose. Wat we ook kunnen zien in de openbare redevoering, en in de hardnekkige praatjes binnen privélevens, is het idee van onschuld en kwetsbaarheid, een slachtofferrol creëerend versterkt door een grote publieke onwetendheid. Er is een diepgaand gevoel vna de onschuldigen, de niet-geinfecteerden, die wederom blootstaan aan kwaadaardige krachten waar ze binnen hun leven weinig tot geen controle over hadden, nogmaals de slachtoffers van een plaag. Daar zien we in zekere zin vandaag de dag voorbeelden van.

In januari 1995 stond er op de non-fictie-bestsellerslijst van de New York Times het boek “The Hot Zone” van Richard Preston, en de omslag suggereert een “beangstigend waargebeurd verhaal”. Het verhaal gaat over het Ebola-virus, een bijzonder akelig organisme met een dodelijke verdeelsleutel van 9:10, als je het oploopt heb je 90% kans om bijzonder griezelig en walgelijk aan je einde te komen.
Waar de auteur zich zorgen over maakt, is het feit dat het virus, wat zijn oorsprong in het evenaarsgebied in Afrika heeft, in 1989 de kop opstak in een paar apen in een onderzoekslaboratorium in Reston, Virginia, wat zo goed als op hoestafstand van het Witte Huis ligt. Het verhaal is gebaseerd op een militaire operatie die moet voorkomen dat het virus het lab verlaat en zich binnen de burgerbevolking verspreidt. Het is een boeiend verhaal, maar de gedachte die bij me op bleef komen tijdens het lezen was, hoe overspannen de tekst was, met potsierlijke metaforen die te overtrokken waren om niet over het hoofd te zien, een stemmingmakende tekst die doordrongen was van de diepte van de dreiging van dit creatuur, die uitgebroken was uit zijn junglewoning. In de laatste bladzijden van het boek wordt een bezoek
aangehaald die Preston maakte aan het ondertussen uitgestorven gebouw waar de besmette aapjes zich hadden bevonden. Zijn slotwoorden waren: “Ebola was in deze kamers opgerezen, liet zijn aard zien, voedde zich en trok zich terug in het woud. Het zal terugkomen”. Ik kon het niet helpen, maar er dook steeds een plaatje in me op, van een virus dat op Kennedy Airport incheckt voor een terugvlucht naar Zaïre, wachtend op een countermatch.

Op bijna hetzelfde moment dat “The Hot Zone” werd gepubliceerd, had het Verenigd Koninkrijk zijn eigen wrijving met de Bacil Uit De Hel. Misschien kunt U zich de naam Streptococcus A. Bacterium herinneren, wat een aandoening veroorzaakt genaamd Necrotiserende Fasciitis. Als dit geen belletje doet rinkelen, herinnert U zich misschien wel de koppen in mei, in de Daily Star: “Moordbacil at mijn gezicht op”, of in de Sun: “Vleesbacil at mij broer in 18 uren op”, of de Daily Mirror: “Vleesetende bacil vermoordde mijn moeder in 20 uur tijd”. De Star was vooral zeer subtiel in zijn koppen: “Het begint met een zere keel, maar je kunt sterven binnen 24 uur”. Het feit was dat er niets nieuw was aan deze bacterie, en ook al veroorzaakte het gruwelijke ziektebeelden, het doodde relatief kleine aantallen mensen per jaar (tussen januari en mei stierven 11 mensen in Engeland en Wales aan NF) zeker vergeleken met andere bacteriele infecties zoals TBC en longontsteking, en de kans om geinfecteerd te raken was oneindig klein, maar dat deed er minder toe, omdat een bepaalde soort nieuwswaarde, die onontwikkeld was, maar graag rolde in geronnen bloed, een enthousiast luisterend oor vond bij een publiek dat was gefascineerd door het bizarre, het griezelige, het gewelddadige, het onmenselijke, en het beangstigende. Dit was een klassiek voorbeeld van slecht journalisme dat een publieke paniek veroorzaakte, gedreven door de verlaagde standaard van het beroep en een diepgaande wetenschappelijke ongeletterdheid. Vanuit een journalistiek standpunt had de “bacil” sterkwaliteiten die moeilijk waren te negeren, en die er voor zouden zorgen dat het zijn “fifteen minutes of fame” zou krijgen. De directeur van de Public Health Laboratory was gedwongen een verklaring af te leggen dat “er geen moordende bacil door het land veegde”, een verklaring die alleen gegeven had kunnen worden, als mensen dachten dat er een nieuwe kwaadaardige epidemie rondwaarde die iedereen kon pakken.

Het punt van deze analogieën is om aan te dragen dat op een buitensporige manier het verslaan van een probleem als AIDS wordt gedreven door een verlaagde nieuwswaarde, een verlaging in de verwachtingen en verlangens van het publiek, en een buitengewoon niveau van wetenschappelijke ongeletterdheid wat het journalistieke vak betreft. Een complex iets wordt een simpele, ingebeelde realiteit.

Het zou echter verkeerd zijn om het probleem van verslag doen als enige fout binnen het vakgebied te zien. Wat begraven ligt in de verslaggeving van AIDS, zijn twee fundamentele fragmenten van ons bewustzijn, namelijk het al besproken begrip van een plaag, maar er is ook het denkbeeld van genezing, de angst voor krachten die buiten onze controle liggen naast rationeel optimisme, wat in de overwinningen van de wetenschap de mogelijkheid ziet om de meest niets ontziende ziektes te genezen. Ons geloof in wetenschappelijke oplossingen is inderdaad zo diepgegrond, dat we in de nieuwe wereldlijke theologie van de 20e eeuw, met zijn wetenschappelijke priesterschappen, elk probleem, elke droefheid, elke pijn en elke angst als een begrip opbouwen die ons niet alleen toestaat een geneesmiddel te zoeken, maar ook van ons eist dat we dat doen. En diep in het hart van dit web van stemmingen en verlangens, nestelt het steeds machtiger wordende deel van de globale economie, en zeker de cultuur van AIDS-genootschappen, samen het “medisch-industriële complex”. Een term die niet door links-radicalen is neergelegd, maar door de voormalige redacteur van de New England Journal of Medicine. Dat complex heeft, binnen zijn giften, ook de macht om hoop te geven, waar ze ons ook constant aan herinnert. Maar voor de hoop moet er uitzichtloosheid zijn, en de consequenties van de verslaggeving van de media bereikten precies dat doel, en die gevoelens.

Bemiddelende taal is in de geschiedenis altijd ingebeiteld geweest, met fundamentele, vaak verborgen aannames die zich onbetwist schuilhouden, maar ondertussen onze zienswijzen danig beperken. Eén van de journalistieke centrale functies, is er voor te zorgen dat er een opening voor handen is, om die aannames aan de oppervlakte te krijgen. Maar gezien journalistiek (in relatie tot wetenschap) een grote afhankelijkheid heeft ten opzichte van die wetenschap, zorgt het onvermijdelijk dat de aannames verborgen blijven, zoals ze ons worden aangeleverd door het medisch-industriële complex. Deze aannames creëeren een mythisch beeld van de medische wetenschap, waarin het idee “het geneesmiddel” de hoofdrol speelt. AIDS is binnen die mythe het concept geworden.

Dr. Edward H. Kass, professor in de medicijnen aan de Harvard Medical School, bracht in 1970 het presidentiele zegel naar de Infectious Disease Society of America. Hij zei dat ze in Washington goed doorhadden dat het van vitaal belang was om de federale steun aan hun werk in stand te houden. Toen wierp hij hun een denkbeeldige granaat voor de voeten: “er is niets fundamenteel verkeerd aan het charmante scenario van de in wit gehulde, medische wetenschapper die goed werk verricht, net zomin als gratis bier op een politieke picknick”. Er was niets mis met dit scenario, ware het niet dat het fundamenteel onjuist was. Kass vertelde hen dat het niet_ medisch onderzoek was geweest, wat TBC, difterie, longontsteking en kraamvrouwenkoorts onschadelijk had gemaakt. De voornaamste lof ging uit naar publieke gezondheidsprogramma’s, hygiënische verzorging en algemene vooruitgang in in de levensstandaard, die tot stand waren gebracht door de industrialisatie. Alle gegevens lieten zien dat het sterftecijfer gekoppeld aan infectieziekten, in een gelijkmatige lijn afnam, al vanaf halverwege de 19e eeuw, en dat is _voor_ medicijnen een wetenschappelijke en symptoombestrijdende rol gingen spelen.

Het was in de 19e eeuw, toen infectieziekten langzaamaan afnamen, dat het wetenschappelijk besef ontwaakte dat deze ziekten veroorzaakt werden door specifieke organismen, microben, en dat die daarom met specifieke behandelingen aangepakt moesten worden: de ziektekiem-theorie was geboren. Wetenschappers zoals Pasteur kregen een mythische status. Het feit dat het de veranderende en daarom verbeterde leefomstandigheden waren die echt het grootste effect hadden op ziekten, werd naar de achtergrond gedrukt toen de “wetenschap alle krediet kreeg”, vertelde Kass zijn publiek. Zo werd een valse verstandhouding gecreëerd van het verleden, en valse hoop gekweekt voor de toekomst. Toen Pasteur “Pasteur” werd, een Mythe met een Hoofdletter, aan het einde vna de 19e eeuw, werd “in de geest van geneesheren, wetenschappers en het grote publiek het idee geplant, dat de medicijngerichte wetenschap, het toonbeeld wordend van de nieuwe tak bacteriologie, precies dat deed wat de scheikundige en natuurkundige wetenschappen daarvoor deden: Het verbeteren van menselijke levens. Er werd aangenomen dat de grote voordelen die het gevolg waren van verbeterde hygiënische verzorging en voeding, het gevolg waren van het onderzoeksprogramma, de wetenschappelijke belofte”. Er werd hier een fundamentele aanname, die we op zekere hoogte allemaal delen en onvermijdelijk een bemiddelende verhandeling aandraagt, in spreekwoordelijk steen gehouwen: dat de moderne geneesheer ons op alle gebieden zal verlossen van het lichamelijke lijden, dat het lot van onze voorvaderen was.

Zoals Edward Golub in zijn wonderbaarlijke boek “The Limits Of Medicine” aankaart, AIDS in acht nemend: “het kader wetenschappers die mediafiguren werden, hadden een boodschap die iedereen wilde horen: Als er geld wordt gegeven, zorgt de wetenschap voor een geneesmiddel”.

Wat ik suggereer, is dat er een nadrukkelijk ontwikkelde neiging binnen de moderne denkwereld is, om te denken in termen van specificatie van ziekte en van het bevestigen van de essentie van een probleem, om de verwachting te evenaren. Wat ik ook suggereer, daarbij afwijkend van de andere kritische interpretaties binnen de verslaggeving over AIDS van de media, is dat we de mogelijkheid open moeten laten dat het discussiepunt niet is, of die verslaggeving in beginsel “goed” of “slecht” is, maar dat de echte problematiek aangaande AIDS niet is, of niet kon worden aangewezen. In feite is dat, wat het grootste deel van zowel wetenschappelijke als sociaal-wetenschappelijke redevoering over AIDS aan elkaar linkt, de thesis van de ziektekiem-theorie, waarvan wordt aangenomen dat die geen problematiek veroorzaakt. En dat komt door onze manier van relativeren ten opzichte van ziekten, gezondheid en wetenschap, ook binnen de journalistiek.

Er zijn andere duidelijke en belangrijke redenen waarom de ziektekiem-theorie zo ingebakken werd binnen de wetenschappelijk discussie. De eerste en meest voor de hand liggende is de grote gigantische geldsommen die aan de politieke economie van AIDS vast zitten. Bedrijven zoals Burroughs Wellcome zijn letterlijk afhankelijk vna het instandhouden van de orthodoxe thesis, voor bijvoorbeeld het verkopen van AZT. De dag dat duidelijk werd, dat Burroughs toestemming zou ontvangen van de US Food and Drug Administration (FDA), om AZT (Retrovir) op de markt te brengen, stegen de aandelen van Burrough met maar liefst 13%. En wat algemeen bekend is, de pharmaceutische industrie is een gigantische bron van fondsen voor wetenschappelijk onderzoek, conferenties en symposiums.

Een andere reden waarom de ziektekiem-theorie zich als ideologisch onbetwistbaar en veerkrachtig heeft bewezen, is dat de wetenschap volgens de volgende methode te werk gaat: het samenstellen van een paradigma, en die vervolgens bijna afgunstig bewaken.

Kijk bijvoorbeeld eens naar de manier waarop Duesberg wordt behandeld, en in dit land, het Verenigd Koninkrijk, de persoon die zijn mening in de media ruimte gaf, Andrew Neil. Ik kan best begrijpen dat er tegenspraak naar deze wetenschappers is, dat ze het fout hebben, dat er passend en overtuigend bewijs is dat HIV wel degelijk de boosdoener is, dat hun interpretatie van tegenbewijzen onjuist is. Wat ik echter niet begrijp is de smerige en giftige toon waarmee deze kritieken worden afgevuurd. Dit was vooral het geval bij Duesberg, wiens werk systematisch werd buitengesloten in publicaties over het onderwerp, terwijl hij zijn bevindingen op een
normale manier wilde toelichten. De rol van John Maddox, werkzaam bij Nature is in dit geval zeer vervelend. Wat we binnen de orthodoxie van AIDS zien, lijkt ondertussen meer op een geloofskwestie, een theologie in een tijdperk waar fundamentalisme op zijn achterste poten staat, waar in twijfel trekken ketters is, en waar de ketters de mond wordt gesnoerd, of zelfs verbannen. De grote zonde die Duesberg heeft uitgesproken, en die Neil heeft gepubliceerd, was het in twijfel trekken van het priesterschap van deze wereldlijke religie, door te impliceren dat de wondermiddelen voor alle ziekten en aandoeningen niet altijd binnen de wetenschap lag, dat de basis voor AIDS misschien een algemeen voorkomende menselijke oorzaak had, en dat de oplossing daar dus ook te vinden kon zijn, in plaats van in de eeuwige heilige handen van de wetenschap.

Het hoge niveau van vijandigheid, die vooral uit de amerikaanse academische onderzoekskringen kwam, verbaasde me niets. The academische onderzoeks-sector is een ontzettend hatelijke, kattige omgeving, waar jaloezie hoogtij viert, psychologieën zijn diepgeworteld onzeker en fragiel, en carrieredrang staat hoog op ieders lijst. In een bespreking van het werk dat Crick en Watson deden op DNA gebied, schreef Marie Jahoda: “Er is een passionele toewijding om hun adembenemende ontdekkingen naar voren te drukken, maar er is ook ambitie, jaloezie, gebrek aan overleg, morele dubbelzinnigheid en arrogantie onder deze wetenschappers”.

Toen Galileo terechtstond, schreef hij aan de groot-hertogin Christina op een wijze, die vandaag de dag zijn weerklank vindt: “Een aantal jaren geleden ontdekte ik in de hemelen vele zaken die voor onze tijd nog nooit gezien waren. Het nieuwe van deze zaken, net als sommige consequenties die, in tegenspraak tot de natuurkundige begrippen die algemeen door de academische filosofen werden aangenomen, daaruit volgden, ruide een niet gering aantal professoren tegen me op- alsof ik deze zaken daar met mijn eigen handen in de hemelen had geplaatst, teneinde te natuur in verwarring te brengen, en de wetenschappen om te keren. Door het tonen van een grotere verzotheid voor hun eigen meningen in plaats van voor de waarheid, probeerden ze nieuwe zaken te ontkennen en te weerleggen terwijl, als ze de moeite hadden genomen zelf te kijken, hun eigen zintuigen hun het bewijs kon leveren.” Dit is niets nieuws. Als we de geschiedenis bekijken zien we verscheidene momenten die opmerkelijke overeenkomsten vertonen met het tevredenstellende karakter, dat zich nu rond AIDS vormt, specifiek rond de openlijke aanklacht tegen iedereen die de zegevierende orthodoxie ook maar in twijfel trekt. Wat we ontdekken is, dat ontkenning van het onorthodoxe niet alleen een voorkomend iets is, maar dat het ook bijna een paradigmatische manier is om de wetenschap te laten functioneren. Laat me een of twee voorbeelden aanhalen.

Toen Pasteur halverwege de 19e eeuw gevraagd werd een probleem binnen het fermentatieproces op te lossen, in een suikerbieten-distilleerderij in Lille, kwam hij met een biologische verklaring. Maar Pasteur was geen bioloog, maar een scheikundige, en zijn verklaring werd ondenkbaar en belachelijk geacht van andere scheikundigen, die de in die tijd hoogtijvierende orthodoxie aanhingen, dat alleen chemicaliën, niet organismen, een chemische reactie konden veroorzaken, en dus kon Pasteur het met geen mogelijkheid bij het rechte eind hebben.

Gedurende het grootste deel van de 19e eeuw werd aangenomen dat Cholera werd veroorzaakt door miasmas. Toen John Snow in 1854 suggereerde dat besmet drinkwater wel eens de oorzaak zou kunnen zijn, werd hij snel onderuit gehaald door de toendertijd leidende autoriteiten, zoals de duitser Max von Pettenkofer. Wat Pettenkofer en zijn discipelen wel hadden, en Snow niet, was macht over de twee voornaamste tijdschriften waar hygiene-onderzoek in werd gepubliceerd, en dus hadden ze de voorwaarden voor wetenschappelijk debat in handen. Edward Jenner zijn originele verslag over zijn ontwikkeling van een pokken-vaccin aan de Royal Society, werd geweigerd op gronden, dat publicatie zijn reputatie danig zou schaden. In de 19e eeuw was een van de meest verschrikkelijke aspecten van de bevalling, het sterftecijfer van moeders die kraamvrouwenkoorts of andere, aan bevalling gerelateerde koortsen kregen. Vrij onafhankelijk van elkaar, suggereerden twee wetenschappers een verklaring die bij hun collega’s niet in goede aarde vielen. In 1843 las een jonge arts uit Boston, Oliver Wendell Holmes, een verhandeling voor, voor de Boston Society for Medical Improvement. Hierin beredeneerde hij dat artsen en vroedvrouwen, die zwangere vrouwen assisteerden, zelf de dragers en bron waren van dood, en niet van leven. De doktoren uit Boston maakten bezwaar, maar Holmes was niet onder de indruk en verklaarde dat “wanneer de feiten talrijk, zonder twijfel en ondubbelzinnig in hun betekenis zijn, moet de theorie de feiten zo goed mogelijk volgen, gelijk opgaand met de feiten: en ze niet voorbijlopen in zijn eigen ritme”. Vier jaar later maakte Ignaz Semmelweis in Wenen dezelfde claim. De medische gemeenschappen in Boston en Wenen behandelden deze claims met de grootste vijandigheid, maar Holmes overleefde de aanvallen, terwijl Semmelweis uit zijn beroep werd gehoond, en stierf in een psychiatrische inrichting.

In de jaren ‘20 van deze eeuw teisterde Pellagra de zwarte gemeenschap in het Zuiden. Er werd aangenomen dat het om een besmettelijke ziekte ging, en er werd zelfs een bacterie geisoleerd. Maar Dr. Joseph Goldberger, wie het opviel dat het probleem zich concentreerde in termen van menselijke geografie, ontdekte dat de oorzaak lag in een tekort aan vitamine B. Het kostte hem 20 jaar om de medisch-wetenschappelijke wereld te overtuigen van zijn gelijk. Er werdaangenomen dat de oorspronkelijke oorzaak in een uitbraak van geboorte-afwijkingen (in Europa tussen de ‘50 en begin ’60) een virus was, tot de effecten van Thalidomine duidelijk werden.

We weten allemaal dat er in de historie genoeg van zulke voorbeelden zijn te vinden. Wat ik wil zeggen is, dat de gewoonte van het beschermen van het paradigma -om nobele en schandelijke redenen- binnen elke wetenschappelijke kennis voorkomt, vroeger en nu, maar dat de schittering van die kennis, net als de koplampen van een auto, net zo verblindend kan zijn als verlichtend.

Tot besluit zijn er nog twee andere thema’s die we moeten behandelen. De bemiddelde verwoording van de gezondheidsrisico’s van een HIV-besmetting werd niet afhankelijk van betrekkelijke risico’s van bepaalde gedragsgerelateerde pathologieen, maar van de politieke noodzaak om te beredeneren dat alle sexuele activiteit vernietigend is, zodat geen enkele _afzonderlijke_ activiteit zou kunnen worden “beschuldigd” bijzonder gevaarlijk te zijn, of een verhoogd risico met zich mee zou kunnen brengen, uit vrees dat zulke argumenten als moraliserend zouden worden opgevat. Het was van vitaal belang voor het oprijzende homosexuele leiderschap, begin jaren ’80, dat de “epidemie” niet teveel geassocieerd werd met de homosexuele gemeenschap. Het feit dat de schuld bij een virus werd gelegd, kwam hen prima uit, want als een virus iets is, dan is het onbevooroordeeld. De journalist Randy Shifts (uit San Francisco) merkte vlak voor zijn dood aan AIDS op: “De (homosexuele) AIDS-groepen waren succesvol in hun propaganda-pogingen, zeggend dat elke hetrosexueel AIDS zou krijgen. Maar dat kregen ze niet”. Dit was ideologisch gescherts, om de radar van de sociale discussie over een ernstig onderwerp te verwarren. En het werkte. De tegensprekende theses die gerelateerd waren aan levensstijl, stonden niet langer op de agenda.

De laatste gedachte die ik doorneem is grotendeels persoonlijk. Een van de tragdies van Aids is, ongeacht de oorzaak, dat het om jonge mensenlevens gaat. Te twijfelen aan de oorzaak van hun dood, staat gelijk aan hen onteren, een soort post-mortem bezoedeling. Dat is niet mijn bedoeling. een paar kilometer hiervandaan ligt het Moston Cemetery, waar mijn vader begraven ligt. Ik was 4 toen hij op 31-jarige leeftijd overleed, verbrand in een neergestort RAF-toestel. Hij wilde niet bij de RAF, maar als arbeider waren de vooruitzichten in 1952 niet al te best. Hij besloot in dienst te blijven, hij stierf, en ik heb hem nooit leren kennen. Ik heb geen
herinneringen, geen foto-galerij waar ik zo nu en dan even doorheen kan bladeren. Hij was te jong om te sterven, en ik te jong om mijn vader te verliezen. Er is geen dag voorbijgegaan, waarin ik niet even aan hem dacht. Ik mis hem verschrikkelijk, en nu ben ik oud genoeg om te begrijpen, toe te kennen dat dit verlies me heeft getekend, en de impact mijn hele leven heeft beschadigd. Het was oneerlijk, net als het leven dat werd weggenomen. De pijn die wordt gevoeld bij het overlijden aan AIDS van jonge mensen lijkt ook zo oneerlijk. Het verlies is oneerlijk, en we halen ernaar uit omdat het nogmaals in strijd is met de kernthesis van onze wereld: dat de dood niet voor de jongelingen is. We halen uit en zoeken naar een verzachtende uitleg en oplossing, zelfs als we die moeten inbeelden. Maar de taak van de geleerde, en de journalist, is niet om verzachtend te werk te gaan, maar om plausibele verklaringen te zoeken, om het lef te hebben licht te werpen op waarheid, hoe pijnlijk dat ook is voor anderen.

Tenslotte, ik heb geen idee wat de waarheid achter AIDS is, maar ik heb de sterke drang dat het debat teruggevoerd moet worden naar de basis, en zichzelf moet openstellen voor andere zienswijzen over het probleem. Maar nu ik de stap heb gezet met het schrijven van een boek over deze einde-van-de-eeuw-gebeurtenis, hoop ik dat ik dat doe met een gedachte, die mooi tot uiting komt in in ene zin uit Bertold Brecht zijn "Leven Van Galileo": “Mijn doel is niet vast te stellen dat ik gelijk had, maar uit te zoeken of ik gelijk heb”.

Bedankt voor uw geduld en voor het luisteren, en voor de eer dat ik mijzelf bij U mag voegen als collega op de nieuwe Universiteit van Sanford.

Het originele artikel, inclusief inleidende stuk, is te vinden op www.duesberg.com.

zo maar een citaat
 

Weet jij wat je slikt?

Komt je internist met een nieuw voorstel? Kijk dan éérst hier!


Tine van der Maas doet er wat aan! Verbluffende filmfragmenten.

Nederlands ondertiteld!

Met dank aan...

Ton Geurtsen, voor het vertalen van al die citaten onderaan elke pagina.

© 2005-2008 Copyright Andere Kijk – alle rechten voorbehouden – ontwerp en bouw door Gert Brax
Deze website wordt niet gesponsord door de farmaceutische industrie